Afgelopen vrijdag vond de derde bijeenkomst van de Hannah Arendt leesclub plaats onder leiding van Arendt liefhebbers Persis Bekkering (de Volkskrant), Simone van Saarloos (nrc.next) en Matthea Westerduin (promovendus aan de VU). De invloed die het omvangrijke oeuvre van de stormachtige Hannah Arendt -politiek filosoof, onderzoeker van het kwaad, strijdbare vrouw- op het intellectuele leven heeft gehad, kan niet genoeg worden benadrukt. Het is moeilijk in een paar zinnen samen te vatten. Maar één ding staat vast: Hannah Arendt was bij vriend en vijand berucht om haar eigenzinnige manier van denken. Met haar kritische geest deinsde ze er niet voor terug zich in de vraagstukken  inte graven van totalitaire regimes of om de meest zwartgeblakerde bladzijden in de menselijke geschiedenis om te slaan en tegen het licht te houden. Hannah Arendt was niet bang voor de ontleding van het kwaad. Zij ontmantelde, zij vergaf, zij nam stelling, zelfs tegen de tijdsgeest in, als het moest. Zij deed politieke stof opwaaien. Toch kan ik haar niet terug vinden in mijn studieboeken van Politieke filosofie, geen spoor van haar nalatenschap tussen Locke, Hobbes of Marx, aber das ist wirklich nicht so gut. Hoog tijd dus om de actuele waarde van haar werk te erkennen en er weer bij te pakken.

Het is druk in de Balie en het duurt even voor ik ontdekt heb dat ik bij de deur naar de Salon moet zijn, waarvoor ik eerst met een wijntje in de hand tussen de gasten van het restaurant door moet tapdansen. Een paar oudere dames uit verschillende windstreken staan gezamenlijk om iets gedromd wat een elegant meisje met een blonde staart blijkt te zijn, die de deur met een sierlijke zwaai voor ze opent. Persis Bekkering is er helemaal klaar voor, een lichte gloed van enthousiasme sprankelt om haar heen. Ik neem plaats in de Salon, een lichte zaal met glas-in-loodramen en rode gordijnen, waar houten stoeltjes in een kring zijn gezet. Op een klein tafeltje ligt Arendt’s werk Denken, het leven van de geest. Te gast is Ivana Ivkovic, filosoof en oprichter van de groep No Wishful Thinking. Zij geeft ons een inleiding tot het bewogen filosofische leven van Hannah Arendt, van The Origins of Totalitarianism (1951) en The Human Condition (1958) tot Eichmann in Jerusalem (1963). Ze verwijst tenslotte specifiek naar het minder beroemdee ssayMen in Dark Times (1955). Links en rechts van Ivana (gehuld in het zwart met cherry rood haar) zitten de Powerphilosophypuffs Persis en Simone, gelijkgestemde geesten met blonde lokken, matchende blauwe truien en zwarte schoentjes.

Ik blik nieuwsgierig naar de groep; het blijkt een mengelmoes van alle leeftijden en de meeste mensen zijn snel verzonken in hun aantekeningenblok. Wat me vooral verrukt zijn de oudere dametjes met straalwit haar die weer en wind hebben getrotseerd om hier vanavond aanwezig te kunnen zijn. In het programma Durf te denken legt Nanda Oudemans uit dat Hannah Arendt ooit in een brief heeft geschreven dat het kwaad vooral schuilt in mensen het gevoel geven dat ze overbodig zijn en er niet langer toedoen, wat -als je een blik werpt op de verhouding tussen de vergrijzing en de huidige arbeidsmarkt- inmiddels een alom geaccepteerde vorm van kwaad is in onze samenleving. Het idee dat oude dames met hun breekbare botten maar achter de geraniums moeten blijven zitten, terwijl ze juist zo’n eindeloze bron van wijsheid zijn, is mensonterend. Daarom vind ik hun strakke blikken en kritische stemmen de leesclub meteen een subversief randje geven. Dit gaat niet zomaar een theekrans worden; act like a lady, think like a boss.

In Men in Dark Times onderzoekt Arendt of het überhaupt mogelijk is om uit een totalitair regime los te breken, of er iets in de menselijke natuur schuilt wat niet valt te smoren. Zoals ze beschreven heeft in Origins of Totalitarianism, waarin ze de Nazistische en Stalinistische regimes onderzoekt, gebruikt het totalitarisme nooit alleen externe middelen als fysiek geweld om te onderdrukken. Alleen door systematische indoctrinatie kunnen ideeën van uitsluiting en onderdrukking voet aan de grond krijgen. Het totalitarisme heeft ontdekt hoe de mens intrinsiek valt te domineren, terroriseren en van binnenuit te controleren. Het kwaad van regimes bestaat uit starre woorden die gebruikt worden als wapens. Woorden die bij grote groepen mensen als gif door hun aderen sijpelen om ze langzaam maar zeker te verlammen. Op deze manier overtuigen mensen zichzelf  dat er niets is wat ze aan de situatie kunnen doen. Maar hoe kan het dat mensen zo in de klauwen van een ideologie verstrikt raken dat ze bereidt zijn er mensenlevens voor op het spel zetten, of zelfs moedwillig te vernietigen? Ivana legt uit dat het kwaad zich volgens Arendt als een schimmel kan verspreiden omdat het zo oppervlakkig is. Ik zie peinzende blikken. “De hamvraag is voor Arendt: zouden we onszelf kunnen tegenhouden om het kwaad te begaan door na te denken? Hoe werkt dat dan? Bestaat er een faculteit in het denken wat ons tegen kan houden? Zonder te vervallen in plat moralisme?”. Mijn blik wordt getrokken door een derde figuur met blonde lokken gehuld in het groen. Ze heeft een geamuseerde lach en Désanne van Brederode-achtig aura, al kan ik niet meteen uitleggen waar dat hem inzit. Matthea: de derde powerphilosophypuff girl.

Ivana vervolgt: “In het denken van Arendt zijn diegenen die wél nadenken, vooral bereidt om hun comfortzone en veilige wereld op het spel te zetten” (Simone krabbelt mee), “Nadenken betekent; onderzoeken, de bereidheid hebben om toe te kunnen geven dat je iets niet weet en perplex kunnen staan” (Simone is aan het knikken), “Het vereist moed om je zekerheden, je identiteit en eigen rol los te laten” (een paar elektrisch geladen haren van Simone knetteren nu tegen mijn wang). De documentaire Elke Dag 4 Mei van Natascha van Weezel flakkert in mijn onbewuste terwijl Ivana dit uitlegt, want door de discussie over de derde generatie aan te gaan en te onderzoeken wat voor impact de oorlog op hun familie heeft gehad, heeft Natascha de afspraak over het stilzwijgen verbroken en is ze een nieuw pad ingeslagen; de wereld waar er wél over de impact van de oorlog gesproken kan worden, zonder dat iedereen in de kramp schiet onder het mom van: “veel te heftig, doe maar niet”. Als er iets was wat Hannah Arendt aanmoedigde, dan was het wel om het publieke debat te cultiveren. We kunnen natuurlijk onze ogen sluiten en zoals Arendt later haar leermeester Heidegger verweet, in ons muizengat fermenteren. Maar dan schiet je ook nooit de vernietigende pijl door de arena a laCatching Fire, al is het alleen maar om de gevangenschap van bepaalde premissen en patronen in je eigen brein te doorbreken.

Wat voor rol speelt het denken dan concreet bij morele beslissingen? “Arendt benadrukt dat het denken niet intrinsiek goed is, het geeft je door middel van kritische reflectie hooguit de capaciteit om stil te staan bij wat we aan het doen zijn,” benadrukt Ivana. Het tegenovergestelde hiervan is gedachteloosheid, wat –in het meest extreme geval- kan resulteren in onderworpenheid aan een destructief regime en een slaafse manier van handelen, zelfs wanneer dit betekent dat je bijdraagt aan de massamoord op een specifiek volk of de systematische uitsluiting van een minderheid omdat deze bestaat uit moslims, homo’s, smurfen (ik denk niet dat aliens snel op deze planeet aan zullen kloppen voor een kopje thee, geef ze eens ongelijk). Deze bijeenkomst gaan we dus The Life of Mind of vertaald Denken, het leven van de geest bespreken, waarin Arendt benadrukt dat het grootste kwaad wordt aangericht door mensen die nimmer besluiten of ze goed of kwaad zijn. Arendts boodschap zou je op een platte manier kunnen vertalen naar: doe iets. Pak je storyboards in, stuur je opinieartikel op, verf zeehonden of schrijf dat liedje; blijf bewegen. Blijf scheppen. Want volgens Arendt is er één ding wat totalitaire regimes nooit uit de menselijke ziel  kunnen roeien: spontaniteit. De vindingrijkheid en elasticiteit van de menselijke geest. Wat ze hieronder verstaat is het zelfstandig blijven denken. Het eerste wat dictators zullen proberen te vernietigen is dan ook onze verbeeldingskracht.

Tijdens de pauze kunnen we aan de bar terecht voor drankjes en daarna worden we opgesplitst in drie groepen voor een bespreking van het boek en dialoog van Socratische aard, begeleidt door één van de drie organisatoren. Matthea vraagt of we ons voor willen stellen en of iedereen kort kan vertellen wat hem het meest heeft aangesproken aanDenken. Ze vertelt dat ze zelf promoveert aan de Theologie Faculteit, een beetje wars is van het trending neurodeterminisme (mijn spellingchecker wilde hier neurootdeterminisme van maken) en Hannah Arendt een fijne filosoof vindt omdat ze zo aards is. Ik zit in een groepje met een Sarah, een Heleen, een Ton en een Tineke. Al is de akoestiek in de zaal goed, toch buigen we onbewust steeds dichter naar elkaar toe, waardoor de bespreking iets weg krijgt van een Beestenbos is boos vergadering. Sarah geeft aan dat ze moeite heeft met bepaalde aannames die Arendt maakt en zich afvraagt waar ze dingen op baseert, maar wijst erop dat dit misschien aan haar eigen gebrek van voorkennis kan liggen. Heleen vond het een mooi maar chaotisch boek. De socratische dialectiek staat ditmaal in het teken van het dialoog aangaan met jezelf, wat een centrale rol speelt in Denken, waarde spanning tussen de vita activaen vita contemplativa centraal staan.

Hannah Arendt was een groot voorstander van de vita activa, het actieve leven. Ze was voorstander van een pluralistische maatschappij met burgers die betrokken zijn bij hun samenleving. Het gevaar van te analytisch worden is dat je niet meer kneedbaar bent en opgesloten raakt in je eigen wereld: daarom is het de kunst om jezelf te blijven ondervragen. Jezelf uit te dagen buiten je comfortzone te stappen. Matthea vraagt of we het aspect van innerlijke dialogen voeren herkennen, de dialectiek tussen het ‘ik’ en die andere ‘ik’, en hoe we deze interne discussies ervaren. Ton geeft met een besmuikte smile aan dat het bij hem  vaker monologen zijn. Ik vertel dat ik om het halfjaar van paradigma wissel. Bij Tineke ligt het hoe ze de wereld waarneemt meer aan haar levensfases. Er worden intense gesprekken gevoerd en het geroezemoes in de zaal maakt plaats voor gelach. Ik blik op het wapen van Amsterdam, wat rood afsteekt tegen een diepblauwe achtergrond. Ik hoor mijn opa liefdevol zingen over de Amsterdamse grachten. Het is best gek: binnen een kwartier is een spontane verbinding tussen mij en complete vreemden tot stand gebracht. We praten over van alles. Wanneer het buiten donker is en ik aan m’n derde wijntje zit voelt het helemaal knus en vertrouwd in de groep, waardoor ik het gevoel heb dat ik eindelijk de ideale vorm van onderwijs heb gevonden; total hogwarts feel.

Je kan op je vrijdagavond naar een club, naar de film, uit eten of onder een dekentje een serie kijken. Je kan ook een keer spontaan iets heel anders doen. Zoals een mimosa pudica knuffelen, wildbreien en je haar paars verven. Of je kunt naar een leesclub gaan om met een zooitje wildvreemden te kletsen over mooie literaire passages, hersenspinsels tijdens het klussen, je lievelingen thuis (kleinkinderen passeerden de revue) en andersoortige zielenroerselen die door de filosofische geest van Arendt worden aangesneden, alsof ze even dwars door je huid heen in je beenmerg grijpt en weer open en bloot legt wat we altijd als vanzelfsprekend beschouwen: vrijheid.

* De avond was trouwens niet zo serieus als hier nu staat hoor, aan het einde wilde Simone graag karaoke zingen.