Nina Polak – We zullen niet te pletter slaan (essay)

Een paar dagen geleden straalde het zonnetje zo uitbundig dat er die ochtend -zo vertelde ik mezelf- echt niks anders opzat dan me in de tuin van mijn ouders languit tussen de madeliefjes te laten vallen met We zullen niet te pletter slaanvan Nina Polak. Ik had haar debuut een dag eerder gekocht, omdat ik na wat gescharrel tussen de nieuwe lenteboeken voor de vijfde keer opnieuw bij We zullen niet te pletter slaan terecht was gekomen (een motto wat afkomstig is uitLyrical Ballads van Wordsworth en Coleridge, de stuwende poëtische krachten van de Romantiek), een titel die ik op de één of andere manier zo onweerstaanbaar vond dat ik vijf minuten later gedwee toekeek hoe de gevleugelde voorkant in een tasje verdween terwijl de dames achter de kassa kibbelden over wie er zo koffiepauze mocht houden.

Mijn innerlijke Literatuurwetenschapper sprong meteen op om het te wijten aan de huidige crisis, de hoeveelheid ZZP’ers en het griezelige gevoel dat het einde van mijn studie in zicht kwam, allemaal externe sociologische verklaringen bedoeld om de aantrekkingskracht van de titel We zullen niet te pletter slaan af te zwakken, maar ik zei dat ze d’r kop moest houden. Zo groot was de golf van geruststelling die ik door mijn bloed voelde glijden bij het lezen van de belofte. Het bleek geen slechte vangst, dit boek.

Ik wist het toen nog niet -maar het te grote Led Zeppelin shirt over mijn buik, het pakje appelsap waar ik aan zat te lurken en onze hond die op de achtergrond paarse viooltjes door de tuin slingerde (ze graaft ze uit en slingert ze dan de lucht in, dat vindt ze leuk) – sloten allemaal perfect aan op de setting van dit klassieke familieverhaal van een iets minder klassieke familie. Het zorgde voor een soort Droste-effect. Zeker toen er in de namiddag een jonge kraai uit zijn nest pal op onze stoep bleek te zijn neergestort, die mijn ouders vervolgens weer (in communicatie met zijn ouders) terug op een tak hebben gezet. “Was hij nog klein?” vroeg ik bezorgd. “Nou het was best al een flinke vogel,” zei m’n vader, en ik probeerde me de bijna volwassen kraai voor te stellen -die ongetwijfeld een existentiële crisis beleefd moest hebben daar zo midden op onze stoep- toen hij licht geamuseerd toevoegde: “vliegen ging alleen nog niet”.

Nina Polak’s debuut begint eigenlijk waar het beroemde essay: “Performative Acts and Gender Constitution: An Essay in Phenomenology and Feminist Theory” (1988) van gender theoreticus Judith Butler eindigt. De subversieve seventies zijn voorbij, de lesbische moeders Benya [progressieve stud] en Marie [conservatief poppetje] zijn inmiddels weer gescheiden en de kinderen zijn, nou ja, gewoon de kinderen, die de drukkende stiltes ook niet meer konden verdragen en met hun biologische moeder Marie (en hun hond) achter blijven in het Katzhuis. Wanneer we Schard en Anna opnieuw ontmoeten zijn ze inmiddels zelfstandig. Na zijn reis door India is Schard weer terug in Nederland en staat voor de deur van zijn zusje, die illustratrice van kinderboeken is geworden, om terecht te komen in de befaamde postmodernistische existentiële crisis van zo’n beetje bijna ieder anno millennium levende adolescent: hoe kan ik iets bijdragen aan de maatschappij en mezelf nuttig maken?

Schard probeert wanhopig betekenis aan zijn leven te geven, een leven dat trouwens wordt bevolkt door allerlei wonderlijke wezens die voor het merendeel beslist buiten de benauwende [en door Judith Butler flink bekritiseerde] heteroseksuele matrix vallen. Als je van dit boek wilt genieten: open your mind and fasten your seat belts. We vliegen van het ene naar het uiterste in het spectrum van vrijgevochten Nederlandse kleuren: van de theatrale en lichtelijk-manische transgender kunstenaar Manu [die af en toe als Cecilia door het leven stapt] naar de Gooische uitgeefbarbie Mabel tot de traditionele Herman, de huis-tuin-en-keuken pik met wie hun moeder is hertrouwd. Hoewel Schard graag wil geloven dat hij de tolerantie zelf is en indruk maakt op zijn hockey vriendinnetjes door te doen alsof zijn moeders een lollige extravaganza zijn, lijkt hij regelmatig gebukt te gaan onder het gevoel dat hij terecht is gekomen in de Muppet show. En helaas is hij zelf het oude mopperende mannetje wat wordt omgeven door vrouwen met flink wat PK a la Miss Piggy. Vrouwen zijn al lang en breed terug van de periode dat ze thuis de gerbera’s stonden te schikken, sterker nog, in Schard’s leven zijn vrouwen inmiddels de norm. En hiertussen moet hij proberen zijn eigen plekje te vinden als man.

Hij voelt zich verbleken naast zijn ex-vriendin Emma, die wordt beschreven als een succesvolle juriste (met haar als koper, schitterende sproetjes en benen die glitteren in het zonlicht, is ze een soort vrouwelijke equivalent van Edward Cullen of moderne Mr. Darcy) en wordt koeltjes ontvangen door zijn hartsvriendin Padma, wanneer hij besluit haar naar India achterna te reizen, zodat hij haar met de wederopbouw van een weeshuis kan helpen. Haar vraag: “Wat kom je hier doen?”. Schard snakt er naar om vader te worden en gewoon de man des huizes te kunnen zijn, maar die vrouwen hebben hem helemaal niet nodig. Steeds als hij zijn zinnen ergens op heeft gezet, is het net alsof ze alleen maar een beetje medelijden met hem hebben; daar heb je weer de man die zichzelf in het midden van een heroïsch avontuur wil portretteren. Die de illusie koestert dat hij wel even het één en ander in de wereld recht kan zetten; de stakker. Zelfs een zeldzaam delirisch moment van masculiene vreugde omdat hij de gootsteen heeft gerepareerd (“Ik heb het gemaakt!”), valt helaas in het water wanneer zijn zusje Anna droogjes opmerkt: “Ik heb de hoofdkraan dichtgedraaid” (232). Degene die het heeft moeten ontgelden in deze vrouwen dynastie is Benya, de meer masculiene moeder. Schard rebelleerde, zocht ruzie en bleef tijdens het eten eindeloos doorvragen over zijn biologische (en inmiddels overleden) vader.

Wanneer hij in de kamer van zijn zachtmoedige zusje probeert slaap te vatten tussen de wollen apen, perzikwolken, zeepwater en geurboeketjes, merkt hij op: “Alles is onschuldig onder deze koepel. Of in ontkenning”. Hier wordt duidelijk dat Schard terug is gekeerd naar zijn, zoals Kristeva het ooit noemde, maternal chora, het aura van de kamer van zijn zusje is genoeg om hem aan het verleden te herinneren. Het is fijn en pijnlijk.  Het vertrouwde familie gevoel: vol vertederende en gênante herinneringen. Anna vond ik een fascinerende verteller omdat haar stem, misschien mede door haar aseksuele karakter, zo onvast en schuchter is. Waar Schard bijna constant een overdaad aan emoties, meeslependheid en conflict ervaart, lijkt Anna geruisloos als mist door het leven te zweven. Ze is gek is gek op strips, een beetje een tomboy type met T-shirts met bands erop (jurkjes vindt ze maar niks) en ze heeft een rustige aard (het lijkt kleuterjuf Aisling, bij wie ze op school voor komt lezen, dan ook voor de hand te liggen dat Anna op meisjes valt). Ze lijkt heimelijk verliefd op haar beste vriend Manu [door Schard beschreven als: haar beminde megalomane clown], maar voelt dat er een muur in haar fantasie staat. Er is liefde, geborgenheid en gedienstigheid van Anna’s kant, maar Manu’s voorkeur voor mannen zorgt ervoor dat ze alleen slaafs kan wachten tot hij terugkeert van zijn nachtelijke avonturen. Waar Schard het conflict aangaat, vlucht Anna. Ze helpt Manu met zijn kunstenaarsprojecten en laat hem zichzelf zijn. Haar blik is verzoenend; ze blijft steunen, ze blijft hoop houden. Net zoals ze hoopt dat haar moeders weer bij elkaar zullen komen.

In Butler’s essay wordt beschreven hoe onze lichamen zich corpo-real tot de wereld verhouden, we internaliseren volgens haar theorie, in de interactie met de buitenwereld, onbewust het gedrag wat bij onze gender identiteit hoort en gaan ons ernaar gedragen. Anna’s aseksualiteit maakt haar een soort tabula rasa. Een observator die zich geïntimideerd voelt door de barbie Mabel, de hypervrouwelijkheid van Cecilia [Manu’s vrouwelijke identiteit] en de stripboekenhandelaar die haar wel ziet zitten (haar reactie: “je zou me verpletteren”). Ze wil net als Schard opnieuw een thuis creëren- ze weet alleen nog niet precies hoe, want de fundamentele oxytocinebindingsfactor die dit samen huizen bouwen meestal bewerkstelligt, overweldigende gevoelens van begeerte en lust, zijn haar vreemd. Tegelijkertijd ergert ze zich ook aan de karaktertrekjes die ze heeft geërfd van haar poppetjes moeder Marie, die ze associeert met burgerlijkheid. Zo is er een passage waarin ze begint met het aanrecht schoonmaken, zichzelf ineens doet denken aan haar moeder en er weer mee stopt. Wanneer Mabel voorstelt om een graphic novel te maken van haar vroegere familiesituatie, alsof het een spektakel is, slaat ze het voorstel af. Het lijkt net alsof ze zichzelf (zoals iedere kind) zowel wil nestelen en afzetten in de burgerlijkheid van haar familie, dus het idee dat er iets inherent antiburgelijks en graphic novel materiaal-achtigs is aan haar moeders,  valt niet goed. Sterker nog; als meisje kroop ze tegen Benya aan omdat ze genoot van de verhaaltjes over de sprookjesachtige liefdesgeschiedenis van haar moeders, alsof het om een moderne Assepoester gaat, maar dan vanuit het perspectief van de prins(es) op het witte paard, met Benya in de hoofdrol. Het is dan ook Anna die Schard weer terug naar hun ouderlijk huis brengt.

Nina Polak schrijft scherp, zorgvuldig en tegelijkertijd sierlijk. Het moment waarop Anna een basisschool bezoekt en de klas met kleuters binnenstapt wordt het beeld wat Polak schetst glashelder; de kleuters, de uiltjes op de beamer, de flirtende juf; “Het heeft iets weg van een sweatshop. Onder de knutselende handjes ontstaan mooie en minder mooie creaties, maar er lijkt sprake van een zekere samenhang. Er verschijnen voornamelijk huizen, auto’s en hier en daar een boot. Geaspireerde materie. Eén jongen zit alleen in een hoek en werkt aan wat zo te zien een kerkje moet worden, of een crematorium, dat kan ook“. Er zitten een aantal scènes in het boek die de worsteling van de protagonisten op een vrij komische manier weergeeft. Zo wordt tijdens de slaapkamerscène met Aisling op een pijnlijke maar grappige manier duidelijk dat Anna eigenlijk niet weet wat ze er doet, iets dat vooral bevestigd wordt door haar interactie met Tommie, Aisling’s kat. Wanneer Schard, die zich met man en macht tegen het masculiene gedrag van Benya heeft verzet, uiteindelijk in de traditionele gezinsstructuur terecht komt met Herman, de nieuwe echtgenoot van zijn moeder Marie, wordt hij voor het eerst geconfronteerd met zijn idealisatie van het heteroseksuele burgerleven.

Ik vind dit een knappe familieroman omdat je de verschillende stuwende krachten – het zachte maar dringende huisje-boompje-beestje achtergrondkoor in combinatie met de pijnlijke hunkering van onbeantwoorde liefde, in elk lid van het gezin gereflecteerd ziet. Zo vraagt de feministische Benya, leider van een vrouwenbeweging, zich enigszins verontrust af wat haar bewonderaars zouden zeggen wanneer ze haar voor het huis van Marie’s ouders, toonbeeld van de kapitalistische orde, zouden zien parkeren: “Daar zat ze, in het hol van de leeuw, haar socialistische strijdzusters zouden erop spugen“. Enerzijds laat het boek zien hoe vormend familiegebeurtenissen voor iemands leven kunnen zijn, anderzijds laat het zien hoe de moeders hebben gezwoegd om samen een huis op te bouwen. De kinderen staan voor dezelfde opdracht. Maar hoeveel vertrouwen kun je in de liefde koesteren wanneer je ouders zijn gescheiden? Of wanneer de liefde niet wordt beantwoord, waardoor je eigen plannen  in duigen vallen?

Je ziet de karakters in hun goede bedoelingen, hun vertwijfeling en in hun klunzigheid. Broer en zuslief hebben feilloos inzicht in elkaars blinde vlekken en vertellen hierover met een mengeling van liefde en ergernis. Het resultaat van hun herstelde contact vond ik erg mooi; de onschuldige en schuchtere Anna moet de eigenschappen van haar broer cultiveren en voor zichzelf leren kiezen, de heftige Schard die grootste plannen koesterde, doet juist de wonderlijke ontdekking dat ‘een redder in nood’ zijn, vaak schuilt in kleinere dingen.

Het laatste hoofdstuk vond ik liefdevol en hartverwarmend, maar het riep ook veel vragen bij me op. Heeft de meeslependheid van hun liefdesavonturen de kinderen vermoeid en zullen ze, zoals in de  romans van de 19e eeuw, hun heil vinden door terug te keren naar hun thuisbasis? Moet de domesticatie ons opnieuw uit de crisis halen? Zijn we wel zo tolerant, vrijgevochten en ruimdenkend in dit land, of is er vooral sprake van veel schijntolerantie? Ik had soms echt te doen met Benya, maar bij een tweede lezing viel me op dat hun biologische moeder Marie, met haar zorgende rol en fragiele figuur (belichaming van moederlijkheid), ook de minste stem in het verhaal heeft…worden gevoeligheid en zorgzaamheid op deze manier niet opnieuw gelijkgeschakeld met passiviteit? Misschien is dit gewoon een personal issue: ik ben Krisbian en weet zeker dat ik naast haar als ‘het vrouwtje’ zou worden gezien (fans zijn zich zo gaan noemen omdat de pers liep te zeuren dat ze een te lesbisch aura had), terwijl ik het idee van ‘de één is dan het surrogaat mannetje’ en ‘de ander het typische vrouwtje’ sowieso een beetje suf vind, we hebben toch allemaal mannelijke en vrouwelijke eigenschappen? Vergeten we daarnaast soms, door onze voortplantingsdrift, dat er veel verschillende vormen zijn waarop je iemand kunt liefhebben? Worden we weer conservatiever of zijn onze identiteiten dankzij het postmodernistische tijdperk juist zo vloeibaar geworden dat we onszelf constant opnieuw scheppen en kernloos door de lucht zweven? En als dat zo is, maakt het uit? Pakkende uitspraak kwam van Manu, die op een gegeven moment tegen Schard zegt: “Bloed is overschat, schat. Het is al lang niet meer dikker dan water, met al die troep die wij doorslikken tegenwoordig”.

De protagonisten lijken sinds de scheiding van hun liefdevolle moeders een vrije val te hebben gemaakt. Het Katzhuis is niet meer hetzelfde, hun vangnet is gescheurd en ze worden zich ervan bewust dat samen een huis bouwen een grotere uitdaging is dan ze misschien dachten. De enige manier waarop ze zelf van een huis hun thuis kunnen maken, is door zich over hun angst om te vallen heen te zetten. Door zichzelf te laten vallen. Pas als je bent losgezongen van die angst, kun je leren vliegen.

We zullen niet te pletter slaan van Nina Polak is in April 2014 verschenen bij Prometheus. 

Voor wie geïnteresseerd is in vraagstukken over mannelijke/vrouwelijke identiteit is het paper van Judith Butler over gender performativiteit hier te vinden (er staan vooral interessante passages in relatie tot Manu in, die met gender constructies speelt).

Klik hier voor het interview met Nina over haar debuut voor Lezentv.nl