De afgelopen maand werd ik overweldigd door een scala aan krachtige jonge vrouwen  die hun stem lieten horen in vastgeroeste, oude en uitgeholde discussies (waaronder Emma Watson, Laci Green, Laura Maaskant, Natascha van Weezel, Simone van Saarloos en Persis Bekkering).

Of het in het debat nu draaide om de versleten stigma’s op gender, biseksualiteit,  uitzichtloze oorlogssituaties, het discours van victim blaming in verkrachtingsmythes, een levensverwoestende ziekte of de diepgewortelde cultuur van de ironie, met hun scherpe intellect wisten ze tussen oeverloze discussies een nieuw midden te vinden. Ik voelde me geraakt door hun moed, hun eloquentie en hun capaciteit om delen van mezelf uit de apathie wakker te schudden, waardoor er een glimlach door mijn -inmiddels solide in gips gegoten- masker wist heen te breken. Ik volgde met lede ogen, een arwanende geest en moedeloze stemming wat zich voltrok in de wereld, maar dankzij deze kleine revoluties betrad ik met hernieuwde moed het altijd zo bruisende Amsterdam. Een Sontag avond was precies wat ik nodig had. En ik was niet de enige persoon met dat gevoel, zo bleek toen ik tussen het publiek in De Balie plaatsnam om een lezing bij te wonen over de iconische Susan Sontag (1933-2004), die beroemd en berucht is geworden in Literatuurwetenschappelijke kringen met haar essaybundels Against Interpretation (1966), Styles of Radical Will (1969) en Regarding the Pain of Others (2002).

Hoewel lezingen en boekenclubs in Nederland vaak de reputatie hebben dienst te doen als theekransjes voor oude duiven, was de grote zaal van de Balie die avond tot de nok gevuld met mensen van alle leeftijden. Het programma werd gepresenteerd door de classy Mirthe Frese (producent en programmamaker bij de Balie) en te gast warenXandra Schutte (De Groene) Carel Peeters (Vrij Nederland), Nina Polak (De Correnspondent), Persis Bekkering(De Volkskrant) en Sontag’s nieuw aangestelde biograaf Benjamin Moser (The New York Review of Books), doorgewinterde schrijvers die deze fascinerende Amerikaanse literaire criticus met haar indrukwekkende politieke oeuvre in hun hart hebben gesloten.

Gekkerd!

De eerste lezing van de Susan Sontag Trilogie, Be Serious! staat Sontag’s leven centraal. Wie was deze pittige tante met haar rauwe stem, gitzwarte haar en de ondeugende glimlach die zo lekker nonchalant voor haar boekenkast zit te paffen? Mijn eerste kennismaking met het fenomeen Susan Sontag verliep niet helemaal soepel. Er is niets leukers dan met Persis Bekkering over literatuur kletsen, maar het is niet altijd verstandig om over Sontag te beginnen. Zeg maar niet wanneer je bij haar achterop de fiets zit op een drukke vrijdagavond, bij het kruispunt voor de Dam. Sindsdien kreeg ik bij de naam Susan Sontag alleen een soort sublieme flashback van rode stoplichten, denderend verkeer en het angstwekkende gevoel dat mijn leven in handen lag van de enkele motorische neuronen van m’n literaire zus, die zich nog zijdelings bezighield met navigeren. Haar lofzang ging deels verloren door de wind, deels door het verkeer en deels door mijn overtuiging dat we een dramatische dood gingen sterven. Toen we onze bestemming hadden bereikt en Persis er uiteindelijk in slaagde mijn verkrampte klauwen uit haar zij te pulken, moest ik echter toegeven dat ze a) aan E.T. grenzende krachten op de fiets bezat en b) mijn nieuwsgierigheid naar Sontag was aangewakkerd, een naam die in mijn brein voortaan verbonden zou zijn met de adrenaline kick die ik meestal krijg van een rondje in de Goliath.

Maar wie was Susan Sontag? Die vraag bleek voor Benjamin Moser, die inmiddels meer dan 500 mensen uit alle lagen van de bevolking heeft gesproken (waaronder een glunderende kaasboerin in Bosnië en een een aristocratische dame die beweerde haar voor het laatst te hebben gezien tijdens een cocktail bij Fidel Castro), niet zo eenvoudig te beantwoorden. Naast het feit dat ze als één van de grootste denkers van de twintigste eeuw is bestempeld, talloze essays publiceerde waarin ze een breed cultureel veld bestierde en de geschiedenis is ingegaan als een boegbeeld voor vrouwen, mede omdat ze volgens Xandra Schutte miljoenen meisjes geestelijk heeft bevrijd gewoon door er te zijn, bestond Sontag’s kern voornamelijk uit wedergeboortes.

Voor de spotlights was ze een krachtige vrouw: androgyn, mysterieus en natuurlijk gewoon best wel cool, alleen al door de manier waarop ze voor de cover van The Rolling Stone op de vensterbank hing in haar existentiële koltrui. Ze was een soort intellectuele celebrity (er schijnt in verschillende werelddelen een ware Sontag Snob cultuur te zijn ontstaan) en volgens Moser een invloedrijke recensent, wanneer Sontag een positieve blurp schreef, dan kon je er vergif op innemen dat heel Amerika binnen de kortste keren met bakken popcorn klaar zat om de betreffende film te zien.

Het eerste werk wat ik van haar las was Illness As a Metaphor (1979), een essay waarin Sontag (zelf meerdere malen getroffen door kanker) reflecteert op het veelgebruikte en versleten narratief waar de maatschappij zich van bedient rondom levensbedreigende ziekten. Ze legt hierin uit dat onze interpretaties, associaties en omgang met deze ziekten  ingebed liggen in een destructieve traditie waarin de slachtoffers onbewust de schuld krijgen van hun ziekte. En ze laat zien dat we kankerpatiënten met ons taalgebruik  (onbewust) dwingen om hun individualiteit in te leveren. We ontdoen mensen van hun identiteit, maken ze tot louter een patiënt en duwen ze op die manier in een isolement. Ik vond het behoorlijk ontwrichtend en indrukwekkend, de manier waarop Susan Sontag dit ingesleten vertoog met haar scherpe pen haarfijn wist te ontleden.

Under Construction…

Sontag liet zich niet zo makkelijk vangen en hekelde een eenduidige identiteit als academica, feminist of politiek activiste. Haar identiteit leek te zijn opgebouwd uit zelfgekozen geïnternaliseerde subject-posities, wat resulteerde in een structurele ambivalentie. Haar persoonlijkheid was vloeibaar; ze wilde niet gecategoriseerd worden, ze voelde zich niet thuis in één paradigma en was (misschien iets meer dan de gemiddelde mens) vooral een performatieve kracht, een constant pulserende chromosoomcombinatie die zichzelf eindeloos aan het heruitvinden was. In de woorden van Nina Polak: “je verhief jezelf tot een werk in wording”.

Maar zo erudiet (“As a writer you want to find the centre”), pittig (“Of course my novels are for people, what else could they be for?”), bevlogen (“If you haven’t done anything for other people in your live, you should be ashamed to die!”) en stellig (“I”m not a scholar, I’m only scholarly in the sense that I’m a big reader”) als ze in haar essays, lezingen en in interviews overkomt, zo onzeker bleek ze in haar postuum gepubliceerde dagboeken.

Want al wekte ze de indruk een benijdenswaardige identiteit te hebben met sterke ideeën, na de publicatie van haar dagboeken ontdekte Peeters dat ze veel proefondervinderlijker leefde dan over het algemeen werd aangenomen. Zo had ze de ingebouwde neiging haar vroegere werk steevast te devualeren, constant van mening te veranderen en ondanks haar betrokkenheid bij de burgeroorlog in Bosnië, wantrouwde ze de prijs van intellectual ambassador of Amerika, want volgens Sontag was het bij uitstek de taak van een schrijver om alles in twijfel te trekken. Haar denkwerk was onderhevig aan ervaringen, emoties en vriendschappen, haar motieven leken mee te veranderen met de wind, al gingen die van Sontag meestal tegen de wind in.

Moser schetst een beeld van een vrouw die het leven gretig in zich opzoog maar die – hij heeft zichzelf enkele maanden met haar dagboeken opgesloten in L.A. – tegelijkertijd een gefragmenteerde en bloednerveuze neuroot was; ze beschreef zichzelf als een serieuze nagelbijter die aan haar teennagels begon als ze haar handen had afgekloven.  Achter de schermen bleek ze een vat vol tegenstrijdigheden; poezelig maar afschuwelijk, een gigantische pleaser en toch eigenzinig, intelligent maar impulsief. En ondanks dat ze om de haverklap verliefd werd, was ze volgens haar eigen zoon tegelijkertijd volslagen talentloos in de liefde. Daarnaast was ze volgens Carel Peeters: “een kei in het rationaliseren van haar eigen onbezonnenheid”. Deze veelzijdigheid resulteerde onder haar aanhang in een soort Sontag verzuiling. Maar zoals Sontag zelf aangaf in The Parish Review: “What I really wanted was every kind of life, and the writer’s life seemed the most inclusive”.

Terwijl de sprekers luchtig over haar gekkigheid doen, proef ik tegelijkertijd een oude Platoonse dichotomie terug: het idee dat een denker in de duisternis van zijn ivoren toren zit opgesloten, weinig emoties ervaart en zich door niets uit zijn evenwicht laat brengen omdat hij alles kan objectiveren. Terwijl er natuurlijk bij de meeste mensen wel een aanzienlijke discrepantie bestaat tussen de essays die ze publiceren en de toon die ze in hun dagboeken hanteren, dat heeft te maken met de vorm. En daarom had ik ergens een beetje te doen met Sontag; jezelf blootgeven, kenbaar maken, ergens voor gaan, kritisch durven zijn, iedere porie van je ziel in je romans stoppen, je met de politiek bemoeien en vervolgens alles postuum laten ondermijnen door debiele dagboek fragmenten, ik zou er niet voor tekenen. De meeste dagboeken zijn tenslotte een beetje tragi-komisch en lichtelijk debiel (ik schrijf  altijd op wanneer ik mensen erg leuk vind, dat ik ze op wil eten, en kon me ineens levendig voorstellen hoe men later zou zeggen: “ze deed zichzelf voor als vegetariër, maar eigenlijk had ze onderdrukte kannibalistische neigingen”). Sontag was misschien niet de evenwichtige, rustige en gestructureerde Kantiaanse intellectueel die men achter haar essays dacht te vinden, toch was er een bindende factor in de stuntelende, vurige en masochistische Sontag; ze bleef bloedserieus. En daar valt natuurlijk wel een lans voor te breken. Moser geeft aan dat hij haar mist in het intellectuele veld, de publieke rol van de intellectueel lijkt immers tanende. Sontag was een moderne Bloomsbury bij uitstek.

Wees subversief, doe eens serieus

In 2006 publiceerde socioloog Frank Furedi een boek met als titel de vraag: “Waar zijn de intellectuelen?”. Ik begreep later pas dat intellectuelen in een permanente transcendentale staat verkeren omdat ze om de haverklap dood worden verklaard, maar uit zijn betoog over de verloedering (die natuurlijk al heeft ingezet sinds de Griekse oudheid) sprak een oprechte zorg. Waar zijn de denkers met een hoofdletter D, die een vuurtje durven te stoken, die het belang van de kunst verdedigen, die de betogen van de politci deconstrueren en die hameren op een stevige bildung in het onderwijs? Natuurlijk werd Furedi weggezet als dinosauriër, oude mopperpot en verstofte conservatieve zeurpiet, maar ik denk dat hij die avond erg blij zou zijn geweest met Bekkering.

Persis legt uit dat ze in het tijdperk van de millenials met hun geïnstitutionaliseerde ironie, verslingert raakte aan Sontag, omdat ze het tot haar levenswerk heeft gemaakt om serieus te zijn. Voor Sontag was serieus zijn een deugd, een deugd die bestond uit engagement, betrokkenheid en een idee werkelijk najagen: “In de dertig jaar dat ik schrijf begrijpen de meeste mensen niet meer wat het betekent om serieus te zijn, om werkelijk om dingen te geven op een vurige, belangeloze manier”. Persis daagt het publiek uit: “Ironie als stootkussen tegen de wereld, als allriskverzekering die je beschermt tegen kritiek, falen en hoongelach, daarmee komen we niet vooruit – niet in de literatuur, niet in de journalistiek, niet in de politiek. Laten we stoppen met het wantrouwen van serieuze kunst, laten we weer met echte ideeën durven komen, laten we bespot willen worden”.

Susan Sontag heeft ironie nooit als stootkussen gebruikt, ze droeg een bepaalde  rauwheid met zich mee die ze nooit heeft verloren. Xandra Schutte vraagt zich af wat er zou zijn ontstaan indien ze iets van die kwetsbaarheid had toegelaten in haar werk. Zou het dan naast ijzersterk dan ook ontroerend zijn geweest?  Want het is juist in die kwetsbaarheid, waarin ze zich soms tot ‘in de puntjes van haar manen onsympathiek toonde’, dat Nina Polak aangeeft haar zo inspirerend te vinden.

Sontag koos ervoor om zichzelf te verwezenlijken aan de hand van wat haar inspireerde. Want het leven van Susan Sontag was allerminst makkelijk: ze kwam uit een benarde thuissituatie en vluchtte naar de kunst. Wanneer ze openlijk uit de kast was gekomen, zou ze volgens Moser een groot deel van haar publiek zijn verloren. Het duurde een poosje voordat ze open durfde te zijn over haar lesbische relaties. Ik vind het vreemd om me te realiseren dat dit zich nog maar zo kort geleden heeft afgespeeld. Enerzijds hebben we nu wel de Gay Pride, maar anderzijds groeit de intolerantie. De strijd voor gender gelijkheid is nog lang niet gestreden, maar afgelopen week zijn gelukkig honderden jongens ingegaan op de uitnodiging van Emma Watson om te vechten voor gelijkheid door zich aan te sluiten bij haar#heforshe beweging. Niet alleen om vrouwen te bevrijden van benauwende stereotypen, maar ook zichzelf. In de woorden van Watson: “Both men and women should feel free to be sensitive and strong”.

Ik weet niet hoe Sontag gereageerd zou hebben op alle nieuwe ontwikkelingen of een wereld vol ironische hipsters, maar wel dat we bij onszelf maar niet al te zwaar moeten tillen aan een wedergeboorte meer of minder, zolang het innerlijke vuur maar niet dooft.