Goed gesprek met Philip Huff over ‘Niemand in de stad’

Gesprek met Philip Huff over Niemand in de stad, wonen in New York en experiments in living.

Philip Hofman woont in het Weeshuis, een statig studentenhuis aan de Amsterdamse Prinsengracht. De twaalf bewoners hebben daar, buiten het blikveld van de maatschappij, hun ouders en hun vriendinnen, een vrijplaats gecreëerd, een proeftuin voor het echte leven. Zijn beste vrienden zijn huisgenoten Matt en Jacob, de eerste een impulsieve hartenbreker, de tweede een beschouwend intellectueel. Door hen aangespoord laat Philip zich steeds meer meeslepen in het studentenbestaan.  Dan ontmoet hij de beeldschone Karen. Zij zet een keten van gebeurtenissen in gang die de zorgvuldig opgebouwde illusie van het Weeshuis te gronde richt, met grote gevolgen voor de bewoners. Niemand in de stad is een roman over vriendschap, vreemdgaan, liefde, een meedogenloze stad en de tol van verkeerde verwachtingen.

Hoe vind je het om in New York te wonen?

‘Ik moest in het begin wel wennen. Ze doen daar veel dingen totaal anders en dat is soms even schrikken of slikken. Door alle films, televisie en boeken, denk je dat je de Amerikaanse cultuur vrij goed kent, maar als je er eenmaal woont, is het toch anders. Ik geloof meteen dat New York veel Europeser is dan Ohio, maar het is toch ook een stuk Amerikaanser dan Amsterdam. In een buitenlandse stad wonen en het leven er observeren is interessant omdat je zo sterk contrastreert me je omgeving: je wordt geconfronteerd met je eigen aannames, ideeën en oordelen. Ik denk dat Amerika in bepaalde opzichten voorloopt op Nederland. Daarmee bedoel ik niet dat Amerika het beloofde land is of technologisch voorloopt, maar wel dat je kunt observeren wat er gebeurt als je als gemeenschap bepaalde politieke beslissingen maakt. Je kunt in zeker opzicht soms spieken in Amerika: Wat betekent het als onderwijs steeds duurder wordt? Wat voor schoolsystemen krijg je dan? In Nederland is dat proces zich nu aan het voltrekken, maar in Amerika hebben ze zo’n schoolsysteem al vijftig jaar. Je ziet dat het allemaal verschillende gevolgen heeft; voor de bevolkingssamenstelling, de arbeidsmarkt en het algehele geluksgevoel. Daarom is het een heel interessant land.’

Wanneer je die Amerikaanse ontwikkelingen ziet – vrees je dan soms dat ze zich hier ook zullen doorzetten?

‘Ja, absoluut. Ik wil geen macro-economisch politiek verhaal gaan houden – maar het privatiseren van de spoorwegen en het waternet – waar komt dat precies vandaan? Dat is allemaal Amerikaans neoliberaal economisch gedachtegoed, en het is helemaal niet per sé goed. In de zin van definieer goed: wat ik als moreel goed voor het welzijn van de bevolking beschouw. Ander voorbeeld: ik denk dat onderwijs zo betaalbaar mogelijk moet blijven omdat je anders discriminatie krijgt op basis van afkomst; namelijk dat het er maar net vanaf hangt of je ouders wel of niet mee kunnen betalen aan je opleiding. Ik heb bijvoorbeeld twee studies gedaan en zelf betaald, maar een tweede studie was toen nog even duur als de eerste. Ik denk niet dat ik in de huidige situatie geen tweede studie had gedaan. De vraag is: waarom zou je mensen die zichzelf willen ontwikkelen beperken, of een gigantische schuld meegeven? En dit gebeurde allemaal onder het beleid van Rutte en Verhagen; die mensen hebben zelf allemaal elf jaar gestudeerd! Dat vind ik zo hypocriet eraan. En het afbrokkelen van ons onderwijs is ook schrijnend voor de concurrentiepositie van Nederland en überhaupt de ontwikkeling van de economie: je moet een goed opgeleide bevolking hebben – met zowel goede academische studies als goede beroepsopleidingen – maar de kwaliteit van het onderwijs staat nu lekker in de uitverkoop in Nederland.’

‘Basisscholen hebben nu bijvoorbeeld een chronisch lerarentekort en de uitval in de docentensector is het hoogst geworden; fucking veel mensen zijn overspannen (ik geloof dat je nu burned-out moet zeggen), en dat is allemaal het resultaat van politieke beslissingen. Hoe goed betaal je je docenten? Hoe belangrijk vind je je docenten? In plaats daarvan moet je vooral lekker de dividendbelasting afschaffen! Ik denk dat dat heel Amerikaans is; in San Francisco (het duurste gebied van Amerika) wonen docenten die geen huis meer kunnen kopen omdat ze geen hypotheek meer kunnen krijgen, die moeten allemaal vier uur rijden naar het centrum van San Francisco. Los dat het niet echt fijn is voor de leraren – denk ik ook niet dat het goed is voor die kinderen, les krijgen van een vermoeide docent die al twee uur in de auto gezeten.’

‘Maar in andere opzichten is Amerika juist weer fantastisch, mensen zijn erg open en genereus. In Nederland is het altijd: ‘Zou je dat nou wel doen?’ In Amerika is het: ‘Waarom niet?’ In Amerika kun je zonder bijbedoelingen zeggen: ‘Goh wat heb je een leuk shirt aan.’ In Nederland is het meteen: ‘Wat moet je van me, mafkees?’ Om terug te komen op je eerste vraag: in New York wonen heeft dus allerlei positieve en uitdagende aspecten.’

Je hebt opiniestukken gepubliceerd over slutshaming en moderne masculiniteit waarin je betoogt dat de huidige cultuur hypermasculien is. Deze hypermasculiene cultuur is zowel seksistisch als onderdrukkend jegens vrouwen én mannen. Waarom besloot je deze stukken te schrijven?

‘Daar waren allerlei redenen voor. Soms belt een krant met de vraag: ‘Kun je een stuk schrijven over hoe vrouwen zich moeten verweren tegen seksistisch mannelijk gedrag? En dan denk ik: ‘Volgens mij kun je beter een stuk schrijven met als insteek dat mannen gewoon eens moeten stoppen met zich zo vervelend te gedragen.’ Dus vaak is het een wisselwerking, waarin zo’n opiniestuk tot stand komt. En soms is het persoonlijker. Ik heb van te veel vrouwen in mijn omgeving verhalen gehoord, over vervelende situaties gesproken, die ik zelf– als witte man met een bepaald opleidingsniveau – nooit heb meegemaakt. Er gaan soms domweg ervaringen aan je voorbij omdat je iets zelf niet bent, je kunt dan lezen om je blik te verbreden en dit te ondervangen, maar dat werkt tot op zekere hoogte. Met mijn vrouwelijke vrienden heb ik er daarom veel gesprekken over gevoerd. En van die hele spreekwoordelijke cultuur: ‘Een man met tien vrouwen is stoer, een vrouw met tien mannen is een hoer’ begrijp ik helemaal niets. Niet alleen omdat ik het hypocriet, seksistisch en kut vind maar omdat ik het ook cijfermatig gezien van de kant van de mannen niet snap; je kunt niet met tien vrouwen naar bed als een vrouw in haar leven maar met één man mag gaan, of er moet een vrouw zijn die met duizend mannen naar bed gaat – maar dat vind je dan een hoer, dus dan wil je eigenlijk niet met haar naar bed. Je doet vrouwen er tekort mee, je doet jezelf er tekort mee, je doet gewoon iedereen er tekort mee.’

‘Weet wel dat het elke zomer weer hetzelfde liedje is, want dan vragen radio’s, tv-programma’s, kranten en journalisten: ‘Wil je komen praten over het corps? Wil je iets zeggen over de ontgroeningen? Omdat ik met Niemand in de stad een boek heb geschreven over studenten – maar die gesprekken zijn steeds hetzelfde, mensen willen graag dat ik hun vooroordelen bevestig. Ik vind het corps helemaal niet zo interessant, het is eigenlijk net zoiets als een carnavalsvereniging; een soort mini-maatschappij. Alleen omdat seksisme in het corps net zo sterk heerst als in onze maatschappij, leek dat me wél een goede insteek om over seksisme te schrijven. En dat raakt aan een breder thema. De vraag: ‘Hoe ga je in deze maatschappij met elkaar om?’ Ik liep bijvoorbeeld nadat mijn vriendin het speelfilmfestival had gepresenteerd achter haar aan in haar galajurk, met allemaal tassen over mijn schouders, terug naar het hotel. Bij de deur stonden een paar schilders, ik dacht eerst dat ze bemoedigend aan het lachen waren naar ons, omdat ik haar spullen droeg, maar ze stonden een drag queen die langsliep belachelijk te maken. We leven blijkbaar dus nog steeds in een wereld waarin andere mensen het nodig vinden anderen uit te lachen – wat best wreed is – zeker over als het gaat over de manier waarop andere mensen hun leven willen leiden in Amsterdam, nog wel. Dus dan af en toe een stukje in de krant schrijven om mensen erop te attenderen op hoe gemeen we tegen elkaar kunnen zijn, kan geen kwaad.’

Waar denk je dat dit onderling veroordelende gedrag vandaan komt?

‘Ik ben natuurlijk geen evolutionair psycholoog maar lees wel veel over de menselijke psychologie voor mijn werk, en het is wel overduidelijk dat de mens van zichzelf niet superlief is. Al die bullshit van: ‘Kinderen zijn zo puur en onschuldig!’ Daar klopt niets van; ga eens op een schoolplein kijken hoe wreed kinderen tegen elkaar kunnen zijn. Het is voor een groot deel een kwestie van nurture en de vraag: ‘Hoe behandel je elkaar?’ Kinderen kunnen natuurlijk ook lief zijn, elkaars handje pakken als ze zijn gevallen. Het is een mengeling van de menselijke natuur en socialisering. Het enige waar ik een klein beetje invloed op heb, is mijn eigen sociale gedrag: ‘Hoe gedraag ik me? Hoe ga ik met mensen om? Hoe wil ik me tot anderen verhouden?’ Een nog een kleiner onderdeel van dat proces is dat ik af en toe een boek schrijf zoals Niemand in de stad, waardoor lezers zich realiseren: ‘Als je al die figuren in een huis bij elkaar zet krijg je zo’n lockerroom-sfeertje.’ Er ontstaat een wisselwerking waarin je elkaar gaat overschreeuwen, jezelf niet meer kwetsbaar durft op te stellen en soms onbedoeld in een keurslijf drukt. Pas als je je eenmaal van die groepsdynamiek bewust bent kun je er (hopelijk) beter opletten.’

‘Die reflectie probeer ik ook met zo’n opiniestuk in de krant te bewerkstelligen, zowel mezelf als andere mannen aansporen om aan elkaar te vragen: ‘Waarom gedragen we ons eigenlijk zo? Wat hebben we eraan?’ Dat gaat niet altijd goed. Vaak krijg je een heel leger boze witte mannen over je heen. Ik krijg het hele spectrum in mijn mailbox; ik krijg om halfdrie ‘s nachts in hoofdletters binnen dat ik een kankerlijer ben tot lieve mails van mensen die me bedanken. De boze mannen zouden best een antwoord op me kunnen schrijven in de krant, want die drempel is heus niet zo hoog, zolang je maar iets inhoudelijks schrijft – alleen een boze mail of blog, daar zit tegenwoordig (ik klink nu echt als een oude lul) geen drempel meer op. Vroeger nog wel: dan moest je een brief maken, uitschrijven, een envelop kopen, kijken of je nog postzegels had – alleen maar om iemand uit te schelden. Dat was zo’n hoop gedoe dat je dacht nah, laat maar. Die storm aan reacties leg ik tegenwoordig naast me neer.’

Hoe werd Niemand in de stad verfilmd?

‘Michiel van Erp had het boek een paar zomers geleden gekocht op Schiphol en stuurde me een mailtje. Dat voelde een beetje surrealistisch. Ik had ook een keer een stuk in het NRC geschreven over Pauw & Witteman en toen kreeg ik een reactie van Paul Witteman en dacht in eerste instantie: ‘Hee, wat grappig dat er nog iemand in Nederland is die Paul Witteman heet en die mij mailt!’ dat was ook mijn eerste reactie op het bericht van Michiel van Erp. Je krijgt zo’n mail en dan denk je: ‘He? Beetje sterk dit!’ Maar dan is het écht regisseur Michiel van Erp, en die mailt altijd nogal to the point: ‘Hoi, ik heb je boek gelezen en vond het heel goed. Zullen we een keer koffiedrinken?’ Ik woonde zelf vroeger ook in een studentenhuis waar we vaak zijn series en documentaires keken, dat maakte het een grappig toeval. Ik vind hem een te gekke en interessante regisseur, dus wilde graag met hem werken. En had twee televisie scenario’s geschreven die hij weer interessant vond, dus tijdens de ontmoeting vroeg hij: ‘Zou jij dan ook het scenario willen schrijven?’ Nou, dat was helemaal eh…’

Was het moeilijk om het boek tot een scenario om te vormen? Want het boek is niet zwart-wit maar juist gelaagd en genuanceerd. Het lijkt me best een uitdaging om dan een vertaalslag naar het witte doek te maken.

‘Wanneer je met leuke mensen werkt is het geweldig! Als je een boek pagina getrouw zou verfilmen maak je een film van zeven uur – dat kan natuurlijk wel – maar daar is een beperkte markt voor. Michiel was er duidelijk over dat hij een film van 100 minuten wilde. Ik had al twee keer eerder een film gemaakt en dan ben je je ervan bewust dat je op zoek moet naar een geschikte manier om het verhaal voor een ander medium te vertellen. Wat op een pagina werkt, werkt op een film niet altijd en andersom. In het boek kon ik de eerste honderd bladzijden van Philip’s leven neerzetten aan de hand van flashbacks; hij vertelt aan de lezer hoe hij zijn vriendin Elizabeth heeft ontmoet op de middelbare school. Dat kan dus niet in een film – flashbacks zijn vaak truttig.

Vaak moet je ook zoeken naar een actie of een handeling waarin iemand nét de goede zin zegt of het juiste gebaar maakt, zodat je denkt: ‘Kijk, dit is de manier waarop we dit probleem en de lading ervan kunnen meegeven’ en dan is het ook fijn als je erover kunt sparren met iemand. Ik heb hiervoor samengewerkt met Marnie Blok en zij is een fantastische scenarioschrijver, heel prettig om mee samen te werken. Het was ook de openingsfilm van het Nederlands filmfestival, dus ik vond het helemaal leuk.’

Hoe kwam je op het idee voor Niemand in de stad?

‘Ik had net mijn eerste boek Dagen van gras uitgebracht en was bezig met een kortverhaal over een groep studenten in Praag, alleen dat verhaal werd steeds langer, en op een gegeven moment gingen de studenten terug naar Amsterdam. Als ik afstand neem van dit verhaal snap ik wel waar het vandaan komt, want ik schrijf altijd over de dingen die me bezighouden en put uit mijn eigen leven. Ik had zelf gestudeerd in Amsterdam, bij een studentenvereniging gezeten en in zo’n studentenhuis als het Weeshuis gewoond, dus ik wilde die wereld nog eens onder de loep nemen. Je studententijd is eigenlijk relatief kort: in een paar jaar tijd verandert alles. Het gebeurt ook allemaal tegelijkertijd – zit in een soort wildwaterbaan – en ik vond het prettig om alles na afloop nog eens te bekijken en onderzoeken. Als je een boek schrijft kun je de dingen rustig met elkaar in verband brengen.’

Hoewel de jongens in Niemand in de stad leden van het studentencorps zijn herkende ik wel de sfeer uit mijn studentenhuis in Leuven, en leken zowel het boek als de film ook meer over de studentenervaring in het algemeen te gaan. De nadruk lag vooral op vriendschap.

‘Toen ik het boek net af had viel me ook op dat het als eerste ging over vriendschap en verwachtingen, daarna op verliefdheid en verwachtingen, en daarna over vaders en verwachtingen. Als je de wereld beschrijft zoals je hem kent, dan komen vriendschap, vaders, vriendinnetjes en studieproblemen als het goed is allemaal terug. Het gaat bij mij allemaal in een soort verkleedkist. Er is trouwens ook veel uitgegaan, ik had eerst ook beschrijvingen van colleges en goede gesprekken met docenten, maar daar ging het uiteindelijk toch het minst over. Het boek was in eerste instantie 500 bladzijden en dat is erg lang, dus ik heb flink gesnoeid om ruimte te geven aan wat het belangrijkste was.’

Wat me tijdens het lezen van het boek opviel is dat één van de thema’s die steeds terugkomt het verlangen lijkt te zijn om een ander leven te willen leiden dan je ouders. Jacob geeft aan dat ze zich als studenten nog in een speelveld bevinden waarin ze plezier mogen maken. Ze vinden Hannes en zijn vriendinnetje Sophie zo’n clichématig perfect D66 koppel dat ze er misselijk van worden. Maar ze vragen zich tegelijkertijd af: is er eigenlijk wel een alternatief voor een burgerlijk bestaan?

‘Ik denk dat het in ieder geval helpt als je over die vragen aan het denken wordt gezet voordat je het burgerlijke leven instapt. Het domein van de sociologie vind ik ook interessant. Johan Goudsblom (bekende socioloog) heeft een schaal bedacht tussen ‘wat men doet’ en ‘wat ik wil doen.’ Er zijn dingen in onze maatschappij die je nu eenmaal doet: men poets nu eenmaal zijn tanden (wel zo fris) en gaat naar school (omdat dit in de wet is vastgelegd), maar ondertussen heb je misschien wel zoiets van: ‘Ik wil m’n tanden niet poetsen’ en ‘ondanks dat ik kan gaan studeren wil ik misschien wel houtbewerker worden?’ Er is op die schaal dus een spanningsveld tussen wat men behoort te doen en wat je zelf wilt doen. En die schaal zit in ieder leven, maakt echt niet uit of je vader dokter of schoenmaker is. De verhouding tussen de maatschappelijke verwachtingen en je leven zelf vormgeven is complex. Het is iets waar veel mensen mee worstelen. De jongens in het boek schuiven en schaatsten steeds op die schaal heen en weer. En stellen zichzelf de vraag wat hen het meest gelukkig maakt. Philip heeft bijvoorbeeld een relatie met Elizabeth, want men behoort een relatie te hebben, en men behoort monogaam te zijn. Het moment dat hij doet wat hij wil met Karin levert hem dat geluk op maar ook veel stress – en dat spanningsveld komt de hele tijd terug.’

‘Onze studietijd wordt helaas steeds korter, want het moet allemaal steeds sneller. De afgelopen vijftig jaar betekende student zijn dat je een luxepositie kon innemen waarin je veel tijd had om jezelf sociaal te ontwikkelen, het leven te ervaren, om erachter te komen: ‘Wat wil ík nou eigenlijk?’ Ik geloof in de waarde van lezen en nadenken over die vraagstukken, maar ook in het ervaren: kloten, stomme dingen kunnen doen, fouten maken, aanklooien. Experiments in living. Ik ga niet betogen dat het corps de juiste plek is voor iedereen, maar bij ieder soort vereniging; of het nu een kennis, studie of carnavalsvereniging is – leer je zowel om te denken aan het belang van de groep als op jezelf te reflecteren. Ik denk dat het altijd leerzaam is om je in een groep, kudde of roedel te begeven en jezelf te laten zien.’

De vrienden steken elkaar op een negatieve manier aan met stoer en competitief gedrag, maar houden elkaar tegelijkertijd ook goed in het gareel.

‘Ja, precies! Jacob komt in het begin van het boek vaak bij Philip binnen en vraagt hoe het gaat, laat hem zijn lievelingsmuziek horen en geeft stof tot nadenken. Alleen dat aspect is al vormend. Onlangs is ook uit onderzoek gebleken dat leden van een studentenvereniging over het algemeen korter studeren dan mensen die dat niet zijn. Dat staat haaks op wat mensen zouden denken – maar je leeft in een gemeenschap, dus als er een tentamenperiode is dan ga je met zijn allen naar de UB, college aantekeningen maken, elkaar helpen; het versterkt elkaar. Al versterkt het dus ook de conservatieve, vervelende dingen. Daarom is het altijd belangrijk jezelf voor ogen te houden dat er meer is in de wereld dan alleen je studentenvereniging. Maar goed, ik heb het al eerder gezegd; het corps is net de wereld, behalve veel witter en rijker. Het is in dat opzicht de maatschappij, met goede en slechte kanten. Er zijn veel mensen die zeggen: ‘die gasten zuipen en feesten alleen maar en studeren nooit’, maar dat beeld klopt dus niet. Daardoor werd het de moeite van het onderzoeken waard en zat er een boek in, want alleen maar bier drinken vind ik niet zo interessant.’

Jacob is mysterieus en vriendelijk. Hij is gek is op muziek en literatuur, en de enige die openlijk filosofeert, de rest durft dat niet. Aan het einde vraag Philip aan Matt en de groep: ‘Hadden wij dit kunnen voorkomen?’ Waarop ze een beetje mompelen: ‘Ja, als iets je kwelt moet je het zeggen.’ Denk je dat ze als vriendengroep naar Jacob toe tekort zijn geschoten?

‘Ik denk dat je als romanschrijver niet te veel je eigen mening over je werk moet opdringen. Het is aan de lezer om tot een oordeel te komen. Maar oké, toen ik die scène schreef dacht ik wel: ‘Jongens, echt?’

Niemand in de stad is in 2012 verschenen bij De Bezige Bij. De film is 27 September 2018 in premiere gegaan op het Nederlands Filmfestival. Behoefte aan een goede selectie van stukken maar niet genoeg tijd om alles te lezen of te volgen? Je kunt je daarnaast inschrijven voor de maandelijkse nieuwsbrief van Philip, vol goede stukken, fijne muziektips en dit soort plaatjes van Sophie Turner die gekke snoeten trekt (I highly recommend it).