Covid-19 

Lief 2020,

Game of Fruits 

Wat was jij een gek, bijzonder, duister, ontwrichtend, bevreemdend en confronterend jaar. Daar liepen we allemaal met onze mondkapjes op achter onze boodschappenkarretjes met zijn allen behoedzaam, bezorgd en met wederzijdse awkwardness te slalommen door de Albert Heijn. Bij de slijterij deed een oude man die voor me langs moest expres een paar acrobatische danspasjes op zijn tenen. Elk supermarktbezoek voelde als een uitdaging. Soms moest ik appels laten zitten (ik noem Emile vaak Pomme omdat hij zo gek is op appels) (Ik murmelde een keer enthousiast: ‘An apple a day to keep the demons away’ waarop hij een typische whizkid-blik en lichtjes in zijn ogen kreeg, er een stukje appel in zijn wang opbolde en hij reageerde met ‘Doctor’) omdat een klein oud dametje niet kon kiezen en ik niet in haar buurt durfde te komen. Het was altijd een doorlopende-stroom-bij-de-pasta-or-die-trying waarbij je maar op goed geluk linguini of volkoren penne in je karretje moest mikken, ik heb alleen maar pesto’s, franse kaasjes en hummus uit het open schap kunnen bemachtigen omdat ik als een slangenmens langs de peinzende mannen gleed, er was meestal een opstopping van pubermeisjes voor de vleeswaren-op-beleg over hoe het nu allemaal precies verder moest (met hun vriendjes, met hun studie, met het eten, zonder bonuskaart), en sommige oude dames bleven juist luidruchtig bijkletsen op het kruispunt voor de olijfolie. De lichte wanhoop in de blikken van de vakkenvullers wanneer ze in de drukte anderhalve meter afstand van ons probeerden te houden en ondertussen de melk bij te vullen, de drukke hoek bij de biologische jam waar ik één hand uitstak voor de Lemon Curd omdat ik de doorloop anders te veel tegenhield, onze Albert Heijn veranderde vooral in een soort Game of Fruits. 

Na verloop van tijd ontwikkelde ik een vos-achtige behendigheid om vlug iets langs mensen heen te graaien, zodat ik al verdwenen was voor ze merkten dat ik er was, een eigenschap die meer millennials om me heen zich eigen maakten. Wanneer ik IJslandse yoghurt uit een vriesvak haalde en me omdraaide om in mijn mandje te leggen, schoten er in dat ogenblik twee tot drie 17-jarige jongens behendig tussendoor voor hun vanillevla, walnotenhoningyoghurtjes en chocomousse, voordat ik het vak weer sloot. Ik heb ook een ingewikkelde karretjesdans gemaakt met een oud heertje bij de spinazie omdat we elkaar graag met alle geweld voor wilden laten gaan. En ik heb weleens een kwartier gewacht op een ander oud heertje dat niet kon kiezen tussen verschillende Zen Infusions van Clipper thee. Het was een enorm meditatief moment. Vlak voor de kerst was het zo druk dat ik een dame onceremonieel drie pakken koffie in haar boodschappenkarretje zag mikken. You get the point.

De enige plek waar ik zelf onverwoestbaar bleef staan en bereid was om als een bodhiboom wortel te schieten, was bij de kruidenafdeling. Ik wil stiekem al eeuwen kruidengeneeskunde studeren, iets waarvan ik dacht dat ik het goed geheim had gehouden tot mijn Zweedse yogadocente Monica opmerkte terwijl we curcuminesmoothies op haar balkon dronken (dit waren betere tijden: de lucht was stralend blauw, we aten verse kersen en mijn mond was volledig oranje van de smoothie), dat ze zeker wist dat ik dit in de toekomst ging doen (dat klinkt niet logisch maar zij beschouwde mij meteen als haar verleden zelf en ik als haar ook als mijn yoga-voorbeeld en meer sprankelende toekomstige zelf, dus bij Samyama Yoga hadden we vaker van die Sheldon-achtige zinsconstructies als het op tijdsvormen aankwam). 

Het was in 2020 kortom een beetje als boodschappen doen met een onzichtbare maar dronken Magere H(e)ijn in het midden die er met zijn bijl struikelend en lazarus maar wat op los zwaait (mijn vader heeft Lazarus van David Bowie door de speakers laten knallen tot hij ontdekte dat mijn moeder en ik praktisch onder de tafel waren verdwenen). Een Magere Hein in de vorm van een rotvirus, op wie een groepje stokoude mannetjes in de Vesting provocerend en hartverwarmend reageerde door dwars door weer en wind heen op de bankjes voor het stadhuis te blijven doorkletsen met pretlichtjes in hun ogen. Dit gedrag ontstond waarschijnlijk dankzij een doorgewinterde eigenwijsheid die na zoveel jaren in hun ruggengraat is gefossiliseerd; ze waren beslist niet van plan om te vereenzamen en de dood was desnoods welkom aan hun tafel. In Naarden leek de lockdown daarom precies omgekeerd plaats te vinden: het moment dat wij allemaal naar binnen verhuisden om de oude heertjes te beschermen, verhuisden zij juist met zijn allen weer naar buiten. Ze zaten gezamenlijk op bankjes voor het Stadhuis in de Marktstraat, zoveel in de doorstroom als maar kon, zo dicht mogelijk bij het kleinste sprankje leven. Ze dronken er koffie en rode wijn, ze soesden in het zonnetje, ze wezen op de mondkapjes, ze roddelden over voorbijgangers, ze waren vol polemiek en druk aan het discussiëren. Ze mopperden. Ze giechelden. Ze zwaaiden en knikten naar me. Eentje riep dat ik geen pantykousjes maar goede sokken aan moest doen. 

Dat ik in een globale pandemie alles uit mijn handen kan laten vallen maar mezelf nog wel vastgrijp aan de kaneelstokjes (sinds mijn wekedelenreuma ben ik helemaal gek op kaneel, de oorzaak is niet duidelijk, al hebben ze bij de orthohealth foundation wel een theorie), is niet het enige wat ik in 2020 over mezelf heb ontdekt. Ik schreef een kort verhaal voor Jan Magazine en ontdekte bij het teruglezen dat ik in het oog van de storm en bij de aanvang van catastrofes als eerste mijn interpunctie laat vallen. Een eigenschap die ik volgens Emile deel met mijn moeder, wiens berichten voor hem een doorlopende stroom steekwoorden zijn. Ik ontdekte daarnaast dat wanneer het oog van de buitenwereld oplost en je me maar lang genoeg thuislaat, ik wel braaf nieuwe joggingbroeken, cardigans, sokken, en sweaters aantrek, maar rustig een week in dezelfde bh blijf lopen (en ze ’s avonds uittrek waardoor mijn geliefde ze steeds overal terugvindt). Ik weet niet hoeveel bananenbrood, citroentaarten en cupcakes er tijdens de lockdown zijn gebakken maar ik hoor wel bij de groep die zoveel plezier kreeg in koken dat ik nu graag alles maak van een honingmosterdsaus met biologische kip, zalm met avocado’s, witte wijnroomsaus met verse zalm, prei en citroen, mexicaanse wraps met vijftien kruiden, you just name it. Een gemiddelde kop koffie bestaat sinds de lockdown uit Corleone van Simon Lévelt, Guji van de Coffee & Coconuts of Ethiopische koffiebonen van Brand met opgeschuimde witte melk, twee lepels cacao, kaneel, kurkuma en een kaneelstokje dat even moet trekken (wat natuurlijk vrij belachelijk is maar you know, spice up your life).  

Champagne Problems, Viruswappies en de Democratie

Ik realiseerde me daarnaast dat ik als freelance journalist en notulist bij het meer nutteloze deel van de bevolking hoor, in vergelijking met artsen, verplegers en hulpverleners die overuren maakten op de intensive care en daarbij het risico liepen om zelf ziek te worden (en bovendien: om hun familie aan te steken), en dat ik waarschijnlijk het beste van die complete nutteloosheid kon maken door me terug te trekken en mezelf binnenshuis voor een soort winterslaap op te rollen. Ik ontdekte tegelijkertijd dat niet heel Nederland daar hetzelfde over dacht, maar er allemaal onrust, complotgewoeker en boosheid ontstond over deze onverwachte, duistere plottwist die bij veel mensen de controle uit handen sloeg en ervoor zorgde dat ze zich even moesten schikken in social distancing. Hierdoor ontdekte ik dat ik vooral van ergernis kon opzwellen als zo’n puffed up stekelvis wanneer mensen in mijn omgeving luidkeels hun beklag deden over gesloten cafés of het feit dat ze niet op hun jaarlijkse sport, winter, ski whatever-the-fuck-you-thought-you-were-going-with-your-privileged–ass vakantie konden (of in de woorden van Ronit Palache: ‘het concept taking one for the team zou je niet misstaan’) alsof ‘vakantie vieren’ een vanzelfsprekend privilege is. Maar goed, ik weet niet of die klaagzangers de foto’s hebben gezien van de webben die neurogliacellen spinnen en ik ga geen boom opzetten over de houding die sommige mensen inmiddels tegenover de wetenschap hebben aangenomen, want dan heb ik mezelf in de kortste tijd helemaal opgefokt. De respectloosheid van sommige mensen tegenover de spanning die op de gezondheidszorg stond, vond ik best stuitend. Stuitend is een beetje zo’n gepikeerde deftige dames term maar ik ben uit 1989 dus volgens mij mag ik het inmiddels wel gebruiken.

Ik snap natuurlijk dat mensen aan van alles kunnen sterven en de dood een gegeven is, maar dat wil niet zeggen dat ik me daarom niet druk maak over de manier waarop veel ouderen en chronisch zieken (en bovendien in het geval van corona, ook kerngezonde, fitte en jonge mensen) in verpleeg, zieken- en bejaardentehuizen afscheid nemen van het leven. Of maanden moeten herstellen van een verblijf op de intensive care (of het zonder een ziekenhuisverblijf maar moeten zien te redden met blijvende mysterieuze hart- en longklachten). Dit had bovendien consequenties voor de reguliere gezondheidszorg, die tijdens de eerste lockdown stil werd gezet, waardoor veel patiënten langer moesten wachten op een behandeling, wat me beslist geen pretje lijkt wanneer je op een chemokuur of een nieuw hart zit te wachten. De manier waarop sommige mensen besloten om luidruchtig hun beklag te doen over de maatregelen vond ik vooral getuigen van champagne problems.

Een leuke zijlijn van de pandemie was trouwens dat de democratie tussendoor ook nog even leek te imploderen onder complottheorieën dankzij een combinatie van algoritmes, een flinke dosis angst en malloten die een nieuw verdienmodel aan de pandemie dachten te koppelen, I can’t even, dus ik murmel tegenwoordig maar snel ‘hetwaseeningewikkeld jaar’ tegen mensen voordat al het gehakketak en gesteggel over de covid-specifics opnieuw begint. Backstage mopperde ik (opgefokt) tegen mijn tante Sandrina: ‘Die complotdenkers die denken dat ze een soort socratische dialectiek beoefenen zijn godsgruwelijk van het pad af’ Sandrina (compleet chill): ‘Ik geloof dat die het pad gewoon niet hebben gezien.’ Maar goed, de ethische vraagstukken rondom de collectieve covid prisoner’s paradox waren er sinds het begin van 2020 iedere dag opnieuw in alle mogelijke programma’s en nieuwsbronnen, en de tweede lockdown leken Rutte en De Jonge te besluiten van hun zoveelste persconferentie een soort Christmas Carol te maken waarop mijn moeder iets snoof over Merkel die tenminste van wanten wist. 

Something To Save

Als wekedelenreuma patiënt observeerde ik dat veel mensen in 2020 een proces doorliepen dat ik een paar jaar daarvoor al had doorlopen, en soms had ik (in het begin) (met nadruk op: in het begin) (echt in het begin) stiekem – in het kader van gedeelde smart is halve smart – een beetje leedvermaak als ik zag hoe mensen zich noodgedwongen moesten aanpassen aan mijn levensstijl, en met hoeveel oeverloos gekwetter dit gepaard ging, omdat het psychologische proces wel herkenbaar was. Ik ben me ervan bewust hoe het voelt wanneer je door een ziekte wordt overvallen, je plannen uit handen worden geslagen en je in blinde existentiële paniek terechtkomt. Wanneer al je plannen on hold worden gezet. Mijn wekedelenreuma sleurde mijn postgraduate leven een soort nachtmerrie in, het betekende dat ik van het uitgestippelde pad moest afwijken, en nadat ik er heimelijk wanhopig, paniekerig, verdrietig en zwaar chagrijnig over was geweest, waarbij ik meestal de uitdrukking droeg van de verdwaasde pug die bij ons om de hoek woont (er wordt goed voor hem gezorgd maar hij snapt het vaak gewoon allemaal niet), doorliep ik tegelijkertijd een proces van acceptatie. Een proces waarin ik begon te genieten van de gouden ochtendzon, de donkergroene en gebalsemde lucht van sparren, van de paarse heide, van de glinsterende dauwdruppels op beukenbomen. Dat klinkt allemaal als mindful zijn, een beetje rustig aandoen en genieten van de kleine dingen in het leven, samengevat misschien een oud en uitgehold folklore cliché met houthakkershemden en flanel erbij, maar ondertussen werd ik gevloerd door een chronische vermoeidheid en stonden mijn gewrichten in de fik, dus het was steeds een balanceeract tussen dát en dankbaarheid of pijnklachten, koorts en vermoeidheid, daardoor raak je op den duur wel doordrongen van het gegeven dat je gezondheid goud waard is. 

Misschien is het ergens in de verte begrijpelijk dat sommige mensen zo veilig en kerngezond zijn (de rant is nog niet afgelopen) dat ze weinig tot niet stilstaan bij hun eigen vergankelijkheid, ze zich gewoon echt niet bewust zijn van de broosheid van hun bestaan. Het zou ook weer niet gezond zijn om jezelf daar iedere dag druk om te maken, dan krijg je niks meer voor elkaar. Bovendien is het niet fijn om je eigen leven aan je voorbij te zien trekken, waardoor het me ook een vervelende en moeilijke tijd lijkt voor studenten, die zich juist het bruisende leven van de stad in hadden moeten gooien. Misschien zou het voor een schrijver als George Orwell bovendien een gezond teken van de democratie zijn dat veel mensen buiten de Albert Heijn geïrriteerd hun mondkapje aftrekken, wegfrommelen of bij het uitstappen van de trein als dramatische sluierstaatvissen naar lucht happen. Dit soort ongemakken staan alleen totaal niet in verhouding tot je gezondheid of een geliefde verliezen. Zo’n hedonistische, optimistische, en jezelf onoverwinnelijk wanende levenshouding, wordt kwalijk wanneer het resulteert in egocentrisme naar je omgeving toe. Zoals wanneer mensen niet stilstaan bij de hoeveelheid schade die het covid-kreng in sommige gevallen kan veroorzaken. En die ‘gevallen’ zijn misschien onbekenden, maar omdat je ze niet kent betekent niet dat ze er minder toe doen dan jijzelf of dat ze geen geliefden, familie, kinderen of verdwaasde pugs thuis hebben. Die houding van ‘Ach ja he, die lui daar! Zolang wij het maar niet zijn! Screw em!’ is beslist niet fair en heeft bovendien schadelijke gevolgen en consequenties, want ik schrijf dit vanuit lockdown 2.0. 

Ik luisterde tussen het nieuws, de discussies, de twitterrants, guinea pig wheeks en waarschuwingen door, vooral naar het nummer Anything Could Happen van Ellie Goulding, omdat dit een goede samenvatting was van de sfeer in 2020. Een sfeer waarbij de dagen een onheilspellende Björkisch-achtige achtergrond hadden en veel mensen tegelijkertijd toch liefdevol, zoekend en soms klunzig probeerden om het leven zo goed en zo kwaad als het ging door te laten gaan. Het einde van het syngothpop nummer wil Ellie Goulding ‘I know it’s gonna be alright!’ zingen, maar omdat de duisternis zo groot is weet ze dat niet zeker, dus daarom zingt ze uiteindelijk niet ‘alright’ maar ‘Al woah!’ En dat geluidje maakte ik steeds aan het einde van elk nieuwsitem, het record aantal nieuwe besmettingen, en de vernieuwde maatregelen, het nieuws van familie en vrienden met covid-19. Mijn vriendinnen en ik waren hiervoor altijd druk met scherpe formuleringen, maar we kwamen heel 2020 gewoon niet verder dan ‘You al woah?’ Al geloof ik dat ik bij de tweede lockdown weer wat vertrouwen terug heb gevonden, want ik ben in september overgestapt op Something To Save van George Michael. Misschien kwam dat omdat mijn vriendinnen in 2020 tegelijkertijd allemaal zwanger waren van baby’s en boeken. Ze hebben zich verbonden aan het moederschap en terwijl ik in de diepblauwe en strakke wachtkamer zat voor mijn yoga eindgesprek smokkelde ik een folder van Nina (de dochter van mijn yogadocente) met bolle buik mijn tas in. 

Aanbevolen artikelen