Samenwonen 

Appartementen in Amsterdam

Op een zondagmiddag waarin Emile en ik tussen de ontluikende krokussen jazzbrunch hielden op de Vesting met cappuccino’s van de Coffee Culture, een grote thermosfles thee (gekregen van di brother René), appelkaneelmuffins en een boek over Bach (we delen een spotify account dat voor de helft bestaat uit de Goldberg variaties van Bach en voor de helft uit Folklore van Taylor Swift), kwamen mijn ouders spontaan langs met Pitout omdat we buiten goed afstand konden houden en we elkaar al lang niet meer hadden gezien. Mijn moeder rende alleen bijna (ze is geboren en getogen in Amsterdam en kan flink doorstappen dus als ze rent wil het wat zeggen) en het bleek dat er die ochtend op Funda een nieuw huis in het hart van de Vesting was verschenen, wat mijn moeder’s gevoel van urgentie verklaarde, waarop Emile meteen reageerde. De week daarna hield ik steeds mijn adem in en was ik zo gespannen als een veer als de telefoon ging, ik hield mezelf voor dat we te laat waren met reageren of zoals gewoonlijk minstens de zeventiende in de rij zouden zijn, terwijl ik als een zeehondje op bed een digitale high tea hield met Maya en over het belang van Joodse bruiloften babbelde met Natascha.

De weken daarvoor hadden we dankzij mijn nichtje Vivian twee appartementen bezichtigd in Oud-Zuid en de Rivierenbuurt (ze werkt bij een makelaar in Amsterdam) (Ilse: ‘Ik wil ook een nichtje Vivian’), maar na de eerste bezichtiging werden we het niet en hingen we melancholiek onder de kersenbloesem om het Museumplein, en bij de tweede bezichtiging zat mijn moeder me als een pikkende kip op de huid omdat het voor die €1300-, per maand in de praktijk om een omgebouwde berging ging en dat liet ze me geen seconde vergeten (* ze werkt bij de gemeente van Amsterdam op de afdeling Verstedelijking & Duurzaamheid dagelijks tussen de architecten, ontwerpen en bouwplannen voor het Amstelgebied, en als het over de huidige woningsituatie in Amsterdam gaat krijgt ze intimiderend veel weg van Katrien Duck). Toen we na de bezichtiging eenmaal bij het Ghandi beeld zaten wierp Emile me een helderblauwe blik en murmelde dat we nog geen boekenkast in de moderne studio kwijt konden, en omdat Emile de enige persoon is die ik ken die zich op zijn zeventiende in het Frans door Proust heeft geploeterd en we samen een boekenwand bijelkaar hebben gehamsterd, hield het daardoor helaas even op.

Zo hingen we in de lente van 2020 tussen de lentebloesem aan een stille Lijnbaansgracht bij Back To Black, vlak voor het huis waar mijn moeder is geboren. Mijn opa is geboren in de Goudsbloemstraat, mijn moeder aan de Lijnbaansgracht en mijn tante aan de Ookmeerweg, maar ondanks dat ik er in navolging van mijn familie ben geboren kom ik er nu niet zonder slag of stoot meer in. Ik wierp een blik op het gesloten en verlaten Back To Black. De zomer daarvoor hing ik er nog samen met Jonas op een oude fauteuil met warme cappuccino’s erbij te kletsen over zijn werkretreat in art deco hotels met dikke Amerikaanse vrouwen en muziek van Lana del Rey op de achtergrond, een opa die moest bestellen parkeerde zijn kleinzoon op mijn schoot, en terwijl ik Jonas foto’s van Emile liet zien ging ons gebabbel op in een constante click and bait, slick, smooth-achtige pr-operator zoom geproduceerd door de dertig in het mini-tentje gepropte mede millennials. Van zoveel nabijheid van vreemden kan ik nu alleen maar dromen.

De zespuntige ster

Gelukkig ligt in de schaduw van Amsterdam de zespuntige davidster Naarden-Vesting (sorry als ik nu heel gewichtig klink), de plek waar ik als klein meisje in onze winkel op een stapel Perzische tapijten lag te lezen terwijl mijn vader tapijten restaureerde met de harmonische rock van Yes op de achtergrond. Het was ook de plek waar ik voor het eerst zoende op een verkleedfeestje in een oud landhuis op de paarse heide, kippen opving die mensen bij de kinderboerderij over het hek gooide en met wilde haren en blote voeten tussen de eeuwenoude beukenbomen verdween om levenskunst te leren. Het was ook de plek waar ik godzijdank net niet op een Duitse reuzewesp ben gaan zitten (hij zat op de wc van onze yogaschool, ik las later in de krant dat hij was doorgevlogen naar Frankrijk en voor het laatst is gesignaleerd in Montpellier), overal de meest gekgevormde paddestoelen uit bomen zag zwellen en in de bibliotheek van het Vesting hotel stukjes schreef voor het Algemeen Dagblad (nadat mijn redactrice een burn-out kreeg moest ik ook weer weg omdat mijn vocabulaire volgens de vervangend redacteur te ingewikkeld en elitair was, ik lees nu net als Emile alleen nog het NRC) met George Michael’s jazzfushion op de achtergrond.

Op een zomerse dag in 2019 wilde ik het allemaal graag aan Emile laten zien en hem door het mini-stadje gidsen. Ik wees hem op de plek waar ooit mijn lievelingswinkel met Steiff knuffels heeft gezeten (die knuffels heb ik nog steeds en toen ik als freelance journalist aan de slag ging benadrukte een bezorgde versie van mijn moeder dat die knuffels op een dag goud waard zijn), we haalden slagroomijsjes met citroen en pistache die we in de zinderende hitte van elkaars lippen zoenden en bezochten het Gemeentehuis waar Emile de Latijnse inscripties voor me vertaalde. Terwijl de gastvrouw enthousiast op het pluche wees en vertelde dat dit de ruimte was waren huwelijken werden voltrokken wierp Emile me een blik toe met lichtjes in zijn ogen waarna hij geïnteresseerd naar een kleine tekening van de Vesting in de veertiende eeuw keek en ik mijn aandacht snel schonk aan de gouden en verstofte kandelaar aan het plafond, die scheef hing. Maar volgens mij kreeg Emile het echt naar zijn zin toen ik in mijn enthousiasme om mijn middeleeuwse thuis met hem te delen voor wilde doen hoe je moest pootjebaden in de fontein, er een bevallige stap in deed en kopje onder ging. Zijn stralende en geamuseerde gezicht verscheen proestend boven het wateroppervlak en terwijl twee stevige armen me eruit trokken, realiseerde ik me dat alles met hem altijd zo zonnig, relaxed en gezellig was dat het hier waarschijnlijk niet alleen om een flirtende en sexy developer met lichtjes in zijn ogen maar ook om mijn toekomstige man ging. Toen we eenmaal waren bijgekomen van het lachen sprong hij bij me in de fontein, wat naast geweldig ook heerlijk verkoelend bleek te zijn. Die namiddag droogden we zongebronsd op in het hoge gras tussen de reuzenlibelles en de bijen terwijl hij vertelde over zijn werkweek in Rome, ergens op een met bloemen bezaaid hoekje dat later onze vaste picknickplek is geworden.

Het is lastig om het gevoel van wortels precies onder woorden te brengen, maar mijn ouders verlieten Badhoevedorp (ze zijn getrouwd in Hoofddorp, ze snappen zelf ook niet waarom) om een winkel in Perzische tapijten te beginnen in Naarden-Vesting, en zelfs als ik me helemaal verkreukeld, vermoeid, versnipperd en verdrietig voelde werd alles toch beter als ik op een herfstige dag de vertrouwde geur van de Vesting rook en met een goede koffie op een bankje in het zonnetje plaatsnam. Het was de bedoeling dat we boven de winkel in de Marktstraat zouden gaan wonen, maar het pand werd geplaagd door lekkages (alle winkels waar mijn vader heeft gewerkt of is begonnen werden geteisterd door vloedgolven, lekkages en overstromingen, volgens mijn moeder omdat zijn sterrenbeeld vissen is, water is zijn element en het element achtervolgt hem) dus we kwamen met de afghaanse windhonden in Alfa Romeo’s gepropt terecht in het gereformeerde Huizen, waar de buren in eerste instantie bijna een hartverzakking kregen omdat mijn vader toen nog een gitaar, lang zwart haar en een baard had. Dat ik hierdoor maar voor 20% ben opgegroeid in de Vesting, 20% bij opa en oma in Amsterdam en 60% veroordeeld was tot het loodgrijze en saaie Huizen, is iets waar ik volgens vriendinnen een melodramatische Deanerys Will Arrive at Dragonstone Zaak van heb gemaakt. Steeds als er vervolgens ergens iets misliep, als ik werd buitengesloten, in een groep gecanceld, afspraken werden afgezegd, of als ik afwijzingen van potentiële werkgevers kreeg, kon ik in Naarden tussen de gouden bloesemblaadjes weer in mijn herfstige Going Home- Sophie Zelmani Huid kruipen. Ik heb er zoveel klassieke danspassen gemaakt dat ik er altijd zal samenvallen met mijn schaduw, met de contouren op de cobblestones. Soms was di papa in de buurt bij Ruijsdael voor sigaren en kwam hij me weer ophalen als ik de hele dag voor de hertjes had gezorgd. 

Summer rain 

Voor het omgebouwde en voormalige monument moesten we naast onze gebruikelijke documenten en inkomenscheck ook een toelichting geven op onze regionale binding met de Vesting, waardoor mijn Deanarys Will Arrive at Dragonstone houding in al mijn gevoel voor drama en koppigheid toch geen slechte zaak bleek te zijn geweest. We verhuisden van de Steenweg op een zomerse ochtend waarin het dus stroomde van de regen (Mijn moeder: ‘Papa blijft vissen he’) maar zelfs als heel Utrecht die dag was verzonken hadden we ons daar niet door laten weerhouden. Mijn moeder en René waren de hulptroepen en sprongen als verzopen katjes uit de vrachtwagen, waarin mijn vader achterbleef om de dozen aan te nemen en te organiseren. We stonden onder tijdsdruk omdat er palen om elf uur ’s ochtends in het centrum omhooggingen, maar we hebben het ruim voor die tijd gehaald omdat René drie dozen op elkaar stapelde. We vielen uiteindelijk kletsnat, vermoeid en verregend binnen in de Sint Vitusstraat waar mijn moeder aan iedereen sandwiches uitdeelde en ik koffie kon maken met onze nieuwe espressomachine. Sytske (di mama van Emile) vroeg of we nog iets nodig hadden en kwam van de mini-Albert Heijn terug met schoonmaakmiddelen en chocolade. Die nacht vielen we moe maar gelukkig in slaap op een matras in ons nieuwe huis terwijl we de regen op ons dak hoorde tikken. 

De vriendin van Emile’s vader (Ellie) kocht al jong haar eerste huis en is ontzettend gek op knutselen aan huizen en huizen die onder-constructie-zijn, het eerste wat ze aan zijn vader vertelde was dat ze Ellie was en net een betonnen aanrecht had gegoten. Ellie kon bij ons thuis op alles kloppen en ons vertellen van welk materiaal het precies was gemaakt (‘gips’ ‘hout’ ‘beton’ ‘ongelakte houten vloer’). Mijn generatie is een stuk minder praktisch. Dat Emile en ik als stedelijke millennials die altijd in studentenkamers hadden gewoond voor het eerst een soort van adulty-adult betrokken betekende concreet dat we een veel te dure artdecolamp bestelden genaamd Gatsby omdat we hem zo mooi vonden maar die volgens mijn vader niet zou misstaan op Schiphol, omdat we tijdens het bestellen vergeten waren op de afmetingen te letten. Van Ilse kregen we een mooie zoutlamp die zacht licht geeft en mijn moeder bleef net zo lang tegen mij en Emile herhalen dat we prima boven op de zolder konden slapen en een bibliotheekkamer konden maken totdat we het deden.

Afgelopen zomer waarin het leven weer even op gang kwam konden we iedereen verwelkomen en op terrasjes perchen. Mijn nichtje en ik verhuisden vier keer van terras omdat het midden op een zomerse dag ging hagelen, Lisa nam haar debuut Bijna Echt mee en signeerde het terwijl we cappuccino’s dronken, Renate kwam met haar puppy Joey die het geweldig vond om rondjes door het huis te rennen, Maya had het gevoel dat ze in een Frans bergdorpje terecht was gekomen, met René en Ilse klommen we met ijsjes de Vesting op om naar de maan te kijken. De enige die gewoon niet leek te weten wat ze met zichzelf aan moest was Bliss, die iedere keer wanneer mijn ouders haar meenamen zo druk en enthousiast was dat ze van vreugde bijna uit het raam sprong. Dit herhaalde ze toen we haar voor het eerst meenamen voor een wandeling om de Vesting heen, waarbij we een wandelpad een heuvel opvolgde en Bliss na wat gedartel met gespitste oortjes als een gouden vosje voor onze neus van een heuvel het zonlicht insprong, loodrecht de diepte in. Mijn moeder en ik wisselden een blik: ‘Ik eh – hoop vaak maar gewoon dat ze weet wat ze doet.’

Het samenwonen met Emile betekende dat we al snel rituelen ontwikkelden en het samenzijn in de lockdown betekende dat we een beetje twee zeehondjes werden. Tijdens de zomers lagen we op het strandje naar de zeilschepen te staren bij het IJmeer en gingen vaak met kranten, boeken, koffie, thee en chocolademuffins naar onze favoriete picknickplek om te lezen. Eenmaal hoogzomer begon Emile het zwemmen te missen en haalde me over om in het meer bij de Vesting te zwemmen, al lag ik het liefst op ons plaid aan de rand van het meer kranten en boeken te lezen met nootjes erbij, en soms ging ik in de Vesting eten scharrelen. Nadat ik een giechelbui had gekregen door voorbij dobberende meerkoetjes, mezelf helemaal schor had gepiept en for good measure waterschoentjes van Emile had gekregen (ik durfde er niet zelf uit door de glibberige stenen waardoor hij me er steeds vanaf de kant uit moest hengelen) vond ik het zwemmen in zoetwater alleen maar fijn en zwom tussen de waterlelies die ik al een poosje vanaf de kant had bewonderd.

In de herfst maakten we lange, dwarrelige wandelingen waarin we alles meemaakten van een strakblauwe lucht, zwaar onheilspellend grijs, een prachtige schemering, roodgekleurde herfstbladeren tot plotselinge stortregen waarna we doorweekt thuiskwamen, onze kleding op de verwarming legden en samen moesten drogen. Bij de Coffee Culture haalden we Pumpkin Spice Latte’s, Flat Whittes, Latte Machiatto’s tot Warme Chocomelk met Marshmellows (het voelde gek om de chocomelk niet met hoofdletters te doen) want wandelen in een prachtig winters landschap met een warme drank werd ons leven. We waren niet de enigen voor wie dat in 2020 hun leven werd, begreep ik toen Natuurmonumenten en boswachters begonnen te klagen over een ongevraagde stortvloed aan mensen in de flora en fauna.

Eduard

Normaal gesproken hoor je altijd van die enorm realistische verhalen over ‘partners’ (een term waarvan Emile een heel grappig gezicht krijgt omdat hij ervan gruwelt), over hoe het ‘een kunstvorm is om samen te leven’ en ‘een huishouden te bestieren’, en dat je altijd wel ‘tijd voor jezelf nodig hebt’, en volwassen over kwesties moet kunnen praten en bladiebla, waar Emile en ik ons ook bewust van zijn, maar anyhoo zaten we in de praktijk in matchende badjassen van The Rituals (Emile in het blauw en ik in het warme jade) eindeloos Outlander te kijken, te veel yoghurtjes met walnoten kaneel, rozijnen en honing te eten en elkaar afwisselend te smeken om de volgende aflevering, ondanks dat we al een tijdje terug moesten gaan slapen. We willen altijd hetzelfde drinken (koffie, thee, wijn, warme chocomelk), we willen hetzelfde lezen (Harry Potter, Wuthering Heights) hetzelfde kijken (Outlander, Big Bang Theory, Everwood) dezelfde tussendoortjes (appelflappen, wentelteefjes, pompoensoep), we willen onze dag graag hetzelfde indelen. We noemden Roger uit Outlander wekenlang George zonder het door te hebben, daarna vergaten we het weer en werd het een poosje Paul, en toen we dachten dat we Roger echt nooit gingen onthouden onthielden we het wel, en besloten dat het niet onze schuld was maar door zijn seventies Beatles coupe kwam. 

We willen over hetzelfde enthousiast zijn en over hetzelfde mopperen en zeuren, we hebben een enorme liefde en waardering voor dezelfde dingen, ergernis en weerzin tegen dezelfde soorten ruis. We willen graag op hetzelfde moment een beetje rondhangen en over personages kletsen, we willen graag in bed loungen met koffie, lange wandelingen maken in de schemering en over alles van de toekomst, het verleden, familie, werk, huizen, vriendinnen en componisten kletsen. We willen graag tegenover elkaar zitten, samen dansen en in elkaar gewikkeld slapen. Wanneer mensen commentaar geven op dat we altijd elkaars hand vasthouden, dat we te veel in een ‘wij’ vorm praten of dat we niet moeten vergeten dat we twee verschillende personen zijn, worden we samen een beetje opvliegerig. We vinden het nooit leuk om langer dan een uur in andere ruimte zijn dus als ik aan het schrijven ben komt hij tegenover me aan de keukentafel lezen, en hij moet de krant vaak lezen met Evermore op de achtergrond omdat ik me tegen hem heb opgekruld. Mijn moeder moppert dat hij te weinig praat. Zijn moeder moppert dat ik te veel praat. Wij klagen terug dat we graag zo willen praten. Zo zijn we langzaam veranderd in de muppets.

Tijdens een zomerse nacht in Utrecht waarin we glazen wijn aan de gracht dronken, ik bloemen plukte die Emile in mijn haar deed en op het plein bij de Mariaplaats zaten, zoende hij het aardbeienijs van mijn gezicht waarop ik mompelde; ‘Pomme’ en Emile nog even kritisch keek of ik geen aardbeientoet meer had. Het komt sindsdien vaak voor dat we druk in gesprek zijn over iets en Emile me even vastpakt om chocolade, kaneel of melkschuim van mijn mondhoeken te zoenen. Ik wil niet weten hoe dat er vanaf de buitenkant uitziet maar inmiddels zegt hij ‘Wacht even’, dan knijp ik als een katje één oog dicht en draai mijn gezicht schuin omhoog, waarop hij mijn wangen schoonlikt, even checkt of alles weg is, waarna we doorwandelen en verder kletsen. Ik voel vaak de behoefte om grote filosofische vragen te stellen zoals Hoe Kun Je Het Beste Omgaan Met De Tragiek van Het Leven en dan werpt Emile me een blik van ‘Girl!’ met wat ik beschouw als de beste helderblauwe blik en de mooiste lach ter wereld.

Mijn tante Sandrina is gelukkig inmiddels ook zover dat ze hem niet steeds meer ‘Eduard’ noemt. Al begrijp ik dat ze hem in het begin steeds aanzag voor een Eduard, want wanneer je Emile nog niet kent is hij een gereserveerd en deftig aristocratisch Edwardiaans heertje met grijze blikken, een whizzkid suspicion of stupidity, en een waanzinnig vocabulaire. Dit gaat gepaard met een bepaalde stoïcijnsheid en lichtheid die suggereert dat hij al twintig levens hiervoor heeft gehad, waardoor hij het allemaal van een vriendelijke afstand beschouwd. Hij is rustig, heeft engelengeduld en wasemt wijsheid uit, meestal in gezelschap van zorgvuldig gekozen en kernachtige zinnen. 

In mijn eerste serieuze relatie had ik die neigingen tot mezelf helemaal vervlechten een stuk minder, ik was altijd stiekem een beetje opgelucht als ik weer tijd voor mezelf had. Het leek me vooral waarschijnlijk dat je in een relatie goede en stevige afspraken over alles moest maken, de hele tijd oeverloos moest CoMmUniCerEn, want eigenlijk ging niks vanzelf behalve ruziemaken. Ik kreeg bovendien de indruk dat ik boven alles vooral erg moeilijk was, veeleisend, overgevoelig en ingewikkeld, en begon in al het geruzie steeds meer weg te krijgen van Cathy uit Wuthering Heights; witty, difficult and devilish, want mijn zogenaamde geliefde zat vol met bijtende opmerkingen, ging vreemd maar stelde zich op als het slachtoffer van mijn klauwen, en dreef me tot waanzin met zijn vileine, hatelijke manier van doen. Van deze eerste relatie moest ik langs bijkomen en omdat ik dit geen al te beste versie van hem of van mezelf vond besloot ik dat het prima was om alles daarna wat losser te houden, en tenslotte (toen dit weer voor liefdesverdriet zorgde bij mannen die wel goed in elkaar zaten), om mijn witchy business een poosje voor mezelf te houden en een onafhankelijk kattenvrouwtje te worden. Tijdens die single periode viel het me weleens op dat mensen me benaderden alsof het allemaal een beetje sneu was, dat single leven, terwijl ik het juist fijner vond om alleen thee te drinken onder de beukenbomen dan om in een vermoeiende, slopende relatie te zitten, vol met Rebecca-achtige elementen waarin andere vrouwen een belangrijke rol speelden. 

Wuthering Heights & Lieveheersbeestjes

Een gekke gebeurtenis is dat Wuthering Heights in ons nieuwe huis is verdwenen. Tijdens de zomer lazen we alle Harry Potter boeken, ik in de schemering in de vensterbank met een kopje groene thee, en Emile begon steeds nieuwsgieriger te worden naar Wuthering Heights. Terwijl ik na afloop van een meditatie luisterde naar Jennie Abrahamson’s versie van Wuthering Heights blikte ik naar de boekenkast en zag mijn oude penguin editie tussen de penguin klassiekers staan. Over Jane Eyre had ik ooit koffie gegooid en dat exemplaar ziet er niet meer uit, maar omdat we zulke goede colleges kregen van Paul Moeyes en de roman zo’n diepe indruk maakte heb ik de gehavende editie nooit weggegooid. Toen Emile in de herfst vroeg waar Wuthering Heights was omdat hij het nergens kon vinden zag ik dat het boek helemaal niet op zijn vertrouwde plek stond. Sindsdien heb ik het hele huis afgezocht, achter alle boeken gekeken en thuis in Blaricum gesnuffeld, maar ik heb het niet meer gevonden. Nadat we de zoektocht hadden gestaakt en het boek als een spook was opgelost in de mist, besloten we om maar een nieuwe editie te bestellen, een moderne versie van Penguin met rozen erop. We vonden het spooky dat Wuthering Heights ons zo had geghost, maar na verloop van tijd vond ik het ook wel mooi. Alsof het huis als statement wilde maken dat alle duivelse, bijtende schijnromantiek in ons leven voorgoed is opgelost.

Een ander mysterieus aspect is dat het omgebouwde monumentale pand waar we nu vertoeven volgens mij een thuis was voor lieveheersbeestjes, want als het op huisdieren aankomt hebben we er iedere dag wel twee of drie. Meestal zijn ze gewoon aan het chillen. Ik zet ze in een glas en het glas vervolgens in de dakgoot beneden onder ons badkamerraam zodat ze er op hun gemak weer uit kunnen, maar het zou me niet verbazen als ze linksom wandelen en zichzelf weer door de minuscule kiertjes bij het raamkozijn naar binnen frommelen om zich weer binnen te verstoppen. Ze verstoppen zich meestal in de gordijnen, soms wandelen ze over de tafel of hangen ze op de bank, en ze gedragen zich nooit paniekerig, ze maken meer de indruk dat zij hier al woonden en wij nu blijkbaar ook. 

Liefde blijft bijzonder, helemaal als het onderliggende gevoel goedzit, en je jezelf niet steeds hoeft uit te sloven om alleen maar de meest opgepoetste, gecureerde en gekunstelde versie van jezelf te zijn. Als ik morgenochtend in een kafkaëske nachtmerrie als een Venezolaanse poedelmot (ik wist ook niet dat die bestond, I promise it’s fluffiest mot you’ve ever seen) wakker zou worden, denk ik dat hij me misschien wel even naar de dierenarts zou brengen maar geen Gregor Samsa behandeling zou geven, waarschijnlijk zou ik veel op zijn schouder zitten, kookinstructies geven en in zijn hand slapen totdat ik terug zou zijn veranderd. Emile weet dat ik op mijn tandenborstels kauw omdat ik vaak tijdens het tandenpoetsen ga filosoferen, iets afkeurends doe met mijn mond als ik Duits hoor, door mijn wekedelenreuma soms een huilend hoopje koortsig ellende verander dat midden in de nacht uit bed klimt voor paracetamols, yoghurt en mandarijntjes. Toch kijkt hij nog steeds naar me met een hart dat overloopt van vreugde, alsof ik het beste ben wat er is gebeurd is sinds de val van de Berlijnse muur. Dat gevoel is wederzijds. Ik heb vaak het gevoel dat ik een soort sprookje in ben getuimeld waarin mijn geliefde ook mijn allerbeste vriend is die mijn lievelingsboeken leest en er graag over wil vertellen terwijl ik tegen hem aangekruld lig, waardoor het voelt alsof ik uit mijn eigen voormalige leven ben verdwenen. Het leven voor hem bestaat bijna uit een vorig leven, het is mistig geworden; of misschien ben ik juist zelf in de mist verdwenen, want het leven voelde zo anders voordat we elkaar hadden gevonden. Wanneer we samenzijn is alles goed. Life was a willow and it bend right to your wind.

Aanbevolen artikelen