Met haar tweede roman Ik ben er niet doet de Vlaamse Lize Spit (1988) niet onder voor haar debuut Het smelt dat in 2015 verscheen bij de uitgeverij Das Mag; she came back stronger than a 90’s trend. Ik ben er niet is met meer dan vijfhonderd pagina’s, de spanningsboog van een thriller en een literaire gelaagdheid die Foucaultiaanse stof tot denken geeft, het perfecte boek voor tijdens een (voorlopig voortdurende) lockdown. Ik ben er niet vertelt het verhaal van de relatie tussen de Brusselse Leo (29, scenarioschrijfster en werkzaam in een winkel met zwangerschapskleding) en haar geliefde Simon (32, graphic designer bij het jonge maar succesvolle reclamebureau Think Out Loud). Na het overlijden van hun beider moeders kwamen ze zonder veel romantiek of gedoe bij elkaar om samen hun leven op te bouwen, om elkaar in hun verdriet overeind te houden als twee scheefgezakte maar tegen elkaar steunende pilaren. Na het afstuderen van de Filmschool hebben ze een appartement gekocht in het centrum van Brussel en een geborgen leven opgebouwd met poes Daan. Voor de eenzame Leo, die als provinciemeisje verloren door Brussel doolde en verdoofd was van verdriet voor ze Simon leerde kennen, is er altijd een geruststellende werking van haar artistieke Antwerpse lover uitgegaan. Totdat Simon op een nacht thuiskomt met een tatoeage achter zijn oor en even begeesterd als bevreemdend klinkt, haast onherkenbaar, wat het eerste signaal van zijn bipolariteit blijkt te zijn.

Hun voormalige warme thuis, waar ze vredig met zijn drietjes in de zetel hingen, verandert in het creatieve slagveld van de voor zichzelf beginnende Simon (‘Simon Sprout!’) en een gealarmeerde Leo en kattepur beginnen zich onveilig te voelen in hun eigen huis. Leo moet noodgedwongen slaap inhalen in de Buik & Boek (een winkel met babyboeken en zwangerschapskleding, maar in de praktijk vooral veel doorschijnende stoffen) in een nestje van kleding gebouwd door haar beste vriendin en collega Lotte, de kat kruipt in de rugzak in de hoop mee naar buiten te worden gesmokkeld. Lize Spits beschrijvingen van het samenwonen met Simon zijn knappe illustraties van het unheimische; de man met wie Leo samen een stabiel huis heeft opgebouwd begint onvoorspelbaar en vreemd gedrag te vertonen, hun behaaglijkheid en knusheid verdampt onder zijn slapeloze nachten, onder waanideeën en onder idées-fixes die vermoeiende stokpaardjes worden. Terwijl Leo doorgaat met werken treft ze haar geliefde thuis in zijn onderbroek met de verrekijker voor het raam in wolken van argwaan, geobsedeerd door een busje en overtuigd dat ze worden bespioneerd door werklui aan de overkant, die er vast en zeker op uit zijn om Simons eigen bedrijfje om zeep te helpen.

Wat ontstaat is een slopend gevecht om de werkelijkheid. Leo probeert de argwanende Simon ervan te overtuigen dat zijn werkelijkheidsbeleving niet meer klopt; dat hij spookverbanden legt op zijn whiteboard, dat je het nummer twaalf op alle manieren kunt berekenen en dat er in de losse woorden tijdens een potje Scrabble geen geheime boodschappen tegen hem zitten verstopt. Leo reflecteert: ‘Alles kreeg betekenis, iedereen had een plan’. Eenmaal binnen de psychiatrische vleugel wordt aan Leo uitgelegd dat ze het ondanks al haar engelengeduld nooit van zijn wanen zou hebben gewonnen: Simons overactief vurende neuronen leggen talloze spookverbanden en zonder medicatie om zijn cerebellum te verstevigen zodat zijn oververhitte brein kan afkoelen, kan Leo haar gezonde Simon niet aan de gijzeling onttrekken. Haar geliefde is niet gekaapt door een succesvolle carrière of andere vrouw maar ontvoerd door zijn eigen overvurende neuronen, die hem ontzettend aanwezig en volkomen afwezig maken. Pijnlijk genoeg voor Simon komt dankzij al die oeverloze, eindeloze spookverbindingen juist de belangrijkste verbinding in zijn leven op het spel te staan; de band met zijn geliefde en vriendin Leo.

Vanuit een literair oogpunt is het verfrissend om voor de verandering niet over een Madwoman in the Attic maar een Madman in the Attic te lezen, die niet zomaar op zolder wordt opgesloten en ingewisseld voor een ander exemplaar, maar wiens partner probeert om de schade zoveel mogelijk te beperken door te blijven luisteren naar zijn potpourri van waanideeën terwijl ze samen door de stad dolen, zelfs in de wetenschap dat zijn complottheorieën kunnen resulteren in schadelijk, destructief gedrag naar zijn omgeving. Spit schetst pijnlijk scherp de eindeloze aardlagen complexiteit voor een patiënt met een psychiatrische aandoening in het dagelijkse leven, wiens persoonlijkheid en talent samen met de aandoening dreigen te worden weggespoeld, zowel als voor diens dierbaren en naaste omgeving. Hij beschouwt de wereld als onveilig en vijandelijk en krijgt hierdoor zelf iets onveiligs en vijandelijks. Vanaf het moment dat Simon in zijn eerste manie terecht is gekomen mist Leo haar ‘oude Simon’, haar echte geliefde (die is er dus niet) want de manische, psychotische en paranoïde versie van Simon (herkenbaar aan tics zoals het geknak met het topje van zijn neus) is voor haar geen veilige haven. Bovendien is de menselijke psyche ingewikkeld en bewolkt, waardoor het even duurt voordat Leo doorkrijgt dat er meer aan de hand is dan stemmigheid, dat de gedragsverandering in Simon te groot is om met de mantel der liefde te bedekken of voor haar uitdijende grenzen, om nog langer voor gezond door te gaan. De manische periode waarin hij geld over de balk smijt, hun huis verbouwt, impulsieve beslissingen neemt en megalomane verhalen ophangt (inclusief iets met de kat), brengen haar dusdanig van haar stuk dat ze hem als opgenomen patiënt vooral bekijkt met een mengeling van medelijden en lichte walging; zijn ogen zijn mistig, hij wil alleen maar slapen en hij verzorgt zichzelf niet meer (als lezer hoor je op dit punt in Leo’s vertelling Not The Doctor van Alanis Morissette doorklinken). Ze moet zich tot zijn manische gedrag verhouden: ‘Wit zijn als hij zwart was, zwart zijn als hij wit was, in de hoop hem te corrigeren, met het risico dat we nooit meer samen konden vallen, maar ons voortdurend tegenover elkaar moesten bevinden, zoals het zwarte en het witte potlood aan weerzijden in de kleurdoos’.

Als er iets duidelijk naar voren komt uit Ik ben er niet is het de kille, zakelijke werkelijkheid van de psychiatrie; en hoe weinig de psychiatrie soms kan doen. De eerste psychiater krijgt dankzij een dansende haar op zijn hoofd de bijnaam ‘De Eenhoorn’, de tweede wordt ‘De Trol’ gedoopt; het stel wordt met wat metaforen en medicatie naar huis gestuurd. De pillen worden aangepast om experimenteel te kijken wat aanslaat, maar tegenover de luchtigheid van de psychiaters staat de dagelijkse praktijk waarin de chemische cocktail in Simons hoofd behoorlijk wat impact heeft. Leo kan de spoed bellen als hij een gevaar voor zichzelf of zijn omgeving vormt, maar daar tussen in zit nog een breed palet van de constant sluimerende, naderende waanzin; van een compleet slapeloze, uitdrogende, geïrriteerde, wantrouwige, woedende, depressieve, moedeloze, achterdochtige Simon, zonder dat hij of Leo zich ooit weer goed, rustig of veilig gaan voelen, en waardoor Leo steeds alert moet zijn op alle signalen die wijzen op een nieuwe manische episode, terwijl Simon benadrukt dat ze hem met haar bezorgde gedrag alleen maar méér met zichzelf confronteert; hij vindt het moeilijk om de rol van patiënt steeds zo in zijn gezicht gewreven te krijgen, waardoor ze zelf maar moeten aanmodderen (‘We waren als een luidspreker en een microfoon die te dicht bij elkaar stonden, we versterkten elkaar tot er niets anders weerklonk dan een allesoverstemmende piep’). Als lezer volg je minutieus hoe Leo pendelt tussen zichzelf innerlijk in elkaar meppen omdat ze in het verleden te kritisch op Simon is geweest maar ook doodmoe raakt van hem afschermen van alle mogelijke triggers. De psychiatrie voelt beslist niet als een stevig vangnet.

Voor zijn manie bespraken ze toekomstdromen in het park; een huis kopen, carrières opbouwen, misschien zelfs kinderen, maar hoewel Leo zich opstelt als een trouwe mantelverzorgster begint ze zich terug te trekken als vriendin, sterker nog; als zijn vriendin moet ze vechten tegen haar angst en wanhoop, in een voortdurende staat waakzaamheid leven. Zoals iedereen die een dierbare heeft verloren heeft ze de gewoonte ontwikkeld om ieder kwartier aan iedereen te vragen of het wel goed gaat, als korte verificatie-check dat niemand dood neer gaat vallen, wat sinds het verlies van haar moeder een mogelijkheid is die zich elk moment kan aandienen, waardoor je als lezer begrijpt dat Simons manische buien olie op het vuur van haar bezorgdheid en neuroticisme zijn.

Enerzijds is Leo’s verdriet, gemis en weerzin invoelbaar: wanneer de één steeds moet zorgen voor de ander in een relatie ontstaat er een disbalans, anderzijds ontstaat de vraag of Ik ben er niet het taboe op mentale gezondheid en psychisch welzijn doorbreekt, of juist de negatieve stereotypen van psychotische en bipolaire patiënten alleen maar versterkt (zoals een vriend die als psychiatrisch verpleegkundige in Castricum werkt eens opmerkte toen hij aan het einde van zijn werkdag door een patiënte was uitgemaakt voor Stalin: ‘Het nu eenmaal geen makkelijke doelgroep’). Er zit een stigma op psychische stoornissen en patiënten voelen zich vaak een grote belasting voor hun omgeving. Gelukkig laat Spit de complexiteit van dit afwijzende gedrag van de omgeving en de manier waarop het taboe Simons isolement versterkt niet links liggen. De ingewikkelde wisselwerking is voelbaar voor Simon, die zich nog argwanender (en daarmee helaas nog anti-socialer) gaat gedragen als hij doorkrijgt dat zijn omgeving op de hoogte is van zijn ziekte. Deze wederzijdse argwaan versterkt, vergroot en vergroeit totdat iedere zin heimelijk een passief-agressieve impliciet performatieve taaluiting wordt met ondermijnende bijbedoelingen, waardoor zelfs samen een kopje koffie drinken een slopende aangelegenheid wordt (‘Ik kon er tegen inbrengen wat ik wilde. Dat Simon een hartje in het melkschuim had en ik niet, dat dat ook niet wilde zeggen dat de barista niet van mij hield’).

Een paar thema’s zijn op een subtiele maar knappe manier door Spit in Ik ben er niet verweven: Simon en Leo ervaren lichtelijke afgunst tegenover Coen en Lotte (een ogenschijnlijk superkoppel), die wel een romantische start hebben gehad en gelukzalig zijn doorgevlogen naar het ouderschap. Dankzij een leven met weinig tegenslagen spelen zij het volwassen leven volgens Leo in een andere league, waardoor het groene monster regelmatig de kop opsteekt bij Simon en Leo. Leo vreest om Lotte kwijt te raken door de verandering die het moederschap teweeg zal brengen, en dit vertaalt zich bij Simon in een afgunst naar ex-collega Coen met wie hij de werkvloer deelde als graphic designer. Waar Leo zich bewust is van haar gemengde gevoelens, slaan ze bij Simon door in een paranoïde competitiedrift. Een thema in het verlengde hiervan is de manier waarop Leo zichzelf klein probeert te maken om Simons ego niet te krenken, in een poging om diezelfde competitiedrift te ontlopen. Ze beseft dat Simon bloedonzeker is, waardoor ze begrijpt dat haar eigen vleugels als schrijfster uitslaan terwijl hij als graphic designer geroemd werd om zijn veelbelovende talent ook een risico voor hun relatie vormt. Er is geen ruimte meer voor Leo, waardoor ze uit zelfbehoud iets weg krijgt van een trickster figure: ze (slacht)offert ze hem achter zijn rug om op het altaar van de Libelle.

Een vraag die bij me opdoemde is of deze roman zich concentreert op een relatie die niet werkt of een relatie met een psychiatrisch patiënt; het is een vertelling van een relatie met een psychiatrisch patiënt die niet werkt, maar de complexiteit is dat Leo in haar rol als verzorgster (een roman over een relatie met een psychiatrisch patiënt) Simon liefdevol terug probeert te halen naar deze werkelijkheid, terwijl ze zich als zijn vriendin voortdurend zit te verbijten (een roman over een relatie die niet werkt). Het moment waarop Leo als verteller reflecteert dat Simons grootste gebrek vooral hun niet werkende liefde is voelt daarom als de nodige nuance, Leo maakt ons als lezers herhaaldelijk duidelijk dat zij zelf ook geen zen-meester is maar vooral een angsthaas die zelf op zoek is naar geruststelling. Ze hebben hun bestaan opgebouwd om het verdriet van het verliezen van hun moeders heen, een verdriet waarvan je als lezer beseft dat ze er juist los van elkaar doorheen hadden gemoeten (waardoor de niet werkende, scheve-symbiotische relatie een zinkend schip is geworden). Die taak heeft Leo in het verleden uitbesteed aan Simon, but it blows up in her face, waardoor de roman begint met een dreigend telefoontje en de ever-onheil-vermijdende-vrezende-anticiperende- Leo alleen een onheilsfietstocht door Brussel moet maken, met alle zichzelf opstapelende horrorscenario’s in haar hoofd van dien. Pas wanneer ze hier zelf doorheen is gegaan, zal ze los kunnen laten om ‘into the unknown’ te tuimelen. Dat maakt Ik ben er niet een mooie roman over het spanningsveld tussen vermijden en het aangaan van verdriet: verdriet met kunst- en vliegwerk ontwijken veroorzaakt meestal vooral nog meer verdriet.

Toch is dit boek niet alleen een donkere droom over een ontrafelende relatie die langzaam uitmondt in een nachtmerrie, want daarvoor zijn er te veel droogkomische en ironische observaties van Leo (‘de clichematige manier waarmee ze over zwangerschappen praatte toonde haar beperkte woordenschat, en ik kreeg mijn gevoeligheden daarnaar niet vertaald, het was als porselein terugbrengen tot klei’). De scènes in de Buik & Boek vormen een welkome afwisseling waarin de komische en badass Girls– sfeer van Lena Dunham wordt opgeroepen. Hier is ruimte voor zelfspot en relativering; er zijn beschrijvingen van jassen die nooit zijn verkocht (‘omdat niemand er uit wilde zien als een over een regenboog gestruikelde ijsbeer’), ze passen zelf nieuwe collecties (‘Lotte begon als beloning omdat we de dag overleefd hadden zelf wat kleren uit de rekken te passen’), smeren vrouwen met gespen te grote kleding aan en Leo geeft haar borsten vaak als voorbeeld zodat mannen kunnen checken of ze de goede cupmaat voor hun vrouw hebben. Een mooi kleurrijk doch nihilistisch detail is dat Finding Nemo (over de overbezorgde en hyperventilerende vadervis die het avontuur aan moet gaan) er eindeloos opstaat zodat niemand over de kinderen struikelt. De winkel vol zwangere vrouwen is een plek voor lichtheid. De sfeer in de Buik & Boek vormt hiermee een sterk contrast met de gewichtige, megalomane eigendunk van Simon met zijn ‘Simon Sprout!’ slagzinnen, waaronder Leo min of meer wordt bedolven als ze thuiskomt.

Twee weekenden geleden verscheen in het NRC een opiniestuk van Bas Heijne ‘Almachtig en Ongehoord’ over viruswaanzin, complotdenkers en de grote hoeveelheid zogenoemde ‘wappies’ die zich sinds de covid-pandemie hebben verzameld, waarin observaties stonden die me sterk aan Ik ben er niet deden denken. Heijne haalt hierin L’ère de l’individu tyran van de filosoof Eric Sadin aan, die zich bezighoudt met de invloed van nieuwe technologie op de samenleving. Sadin beschrijft “De onverdraaglijke discrepantie tussen de zelfbeschikking die het individu is aangepraat, de belofte dat de wereld zich voor jou zal openstellen (Jij heerst over de informatiemaatschappij!), zich naar jouw wensen zal volgen, en anderzijds, de harde werkelijkheid waarin jouw stem nauwelijks gehoord wordt te midden van al die andere stemmen, waarin iedereen aan de touwtjes lijkt te trekken behalve jij.” Heijne reflecteert: “Het tirannieke individu uit de titel van het boek van Sadin blijkt een onmachtige heerser, omdat niemand zijn bevelen opvolgt, sterker nog, vrijwel niemand ziet hem staan. Je bent almachtig en ongehoord.” Volgens Heijne is een gevolg van dat wegvallen van het publieke debat en het digitaal opgesloten zijn in het geïnflateerde ik, dat alles voortaan persoonlijk wordt. Heijne concludeert: “Omdat de wereld buiten je hoofd geen oog heeft voor jou en je besognes, jouw benardheid en pijn, ontstaat gemakkelijk het idee dat die wereld tegen jou is, je wil dwarsbomen, knechten en zelfs vernietigen.” Dat is precies wat het samenleven met Simon voor Leo zo moeilijk maakt: de sterke overtuiging dat iedere plant, boterham of stoeptegel een potentiële verdachte kan zijn, omdat iedereen druk zou zijn met hem.

Leo reflecteert dat ze niet zeker weet of Simons grootste angst is dat de wereld één groot complot tegen hem smeedt, of dat die wereld in werkelijkheid onverschillig is. Een prachtige, kernachtige zin van kersverse vader Coen: “Komaan, Simon, serieus man, denk je nu echt dat we daarmee bezig zijn, dat we niet genoeg aan ons hoofd hebben? Misschien moet ik je teleurstellen, zoveel zijn we niet met jou bezig”. Misschien is dat wel de mooiste zin in een tijd van zoveel complottheorieën; de tragische realiteit dat we denken dat de blik van de buitenwereld voortdurend op ons gericht is, terwijl iedereen in werkelijkheid druk genoeg is met zichzelf. Gelukkig laat Spit haar Madman in Brussels niet eindigen als een verwoestende Bertha Mason, wat benadrukt dat deze roman niet zozeer gericht is op dramatisch effectbejag, maar vooral op de vraag hoever je mee kunt bewegen in de wereld van een geliefde die niet meer in de realiteit staat.  

Aanbevolen artikelen