Voor haar vierde roman dook schrijfster Anne Eekhout (Hilversum, 1981) in de wereld van de inmiddels mythisch geworden Mary Shelley (in de 18e eeuw geboren en getogen in Victoriaans Londen) die met haar beroemde meesterwerk Frankenstein het startsignaal gaf voor een nieuw literair genre en heel erg veel verhalen over monsters. Anne Eekhout maakte Mary tot haar personage en vulde in hoe zij op haar veertiende in Schotland de inspiratie vond die haar vier jaar later Frankenstein deed schrijven. Nog voor de verschijning van Mary zijn de vertaalrechten al aan verschillende landen verkocht en sindsdien is het boek bejubeld omdat Eekhout’s verbeelding Mary Shelley weer tot leven heeft gebracht.

Klopt het dat je in Italië het Keats-Shelley museum hebt bezocht en toen voor het eerst in aanraking kwam met Mary Shelley?

Anne: ‘Ja klopt! Een paar jaar geleden was ik in Rome en bezocht daar het Keats-Shelley House, dat is het huis waar John Keats tot aan zijn dood heeft gewoond. Je kunt er vanalles lezen en zien over een aantal schrijvers uit de romantische periode, maar het draait voornamelijk om de romantische dichters John Keats en Percy Shelley. Daar werd ook het verhaal verteld over Mary Shelley en hoe haar meesterwerk Frankenstein is ontstaan. Ik had het verhaal nooit eerder gehoord en het intrigeerde mij heel erg. Tijdens een stormachtige zomer, waarin ze door een vulkaanuitbarsting veel noodgedwongen binnenzaten, bezochten Mary en Percy Shelley hun vrienden Lord Byron en John Polidori in hun villa in Genève, waar ze elkaar graag spookverhalen vertelden rond het haardvuur. Op een stormachtige avond stelde Lord Byron voor om allemaal een spookverhaal te schrijven. Degene die het beste en het engste spookverhaal schreef zou winnen. Mary is de uitdaging aangegaan en begonnen aan haar boek.’

Hoe kwam je op het idee om van Mary je nieuwe hoofdpersonage te maken?

Anne: ‘Er gaan nogal wat mythische verhalen rond over haar schrijfproces en de vraag of ze meteen aan het verhaal begon of het op moest graven; het is de vraag of ze tijdens een droom een bijzondere openbaring heeft gehad waarin dat monster aan haar verscheen en ze direct aan Frankenstein begon. In die tijd was het onder kunstenaars heel gebruikelijk en en vogue om te zeggen dat iets tot je kwam in een halve waaktoestand en dat heeft Mary in die tijd ook gezegd. Of dat echt zo geweest is weten we niet, maar uit verschillende bronnen blijkt wel dat ze niet direct is begonnen met schrijven. Frankenstein werd ook niet meteen een fantastisch verhaal, ze heeft er waarschijnlijk echt een tijdje over moeten peinzen en goed over nagedacht.’

‘Ik was bezig met het afronden van mijn tweede boek toen ik het Keats-Shelley House bezocht. Een paar jaar daarna ben ik pas gaan lezen over Mary Shelley, waaronder haar dagboeken en brieven correspondentie. Dat was heel interessant en uit die gegevens bleek dat haar tijd in Schotland, waar ze op haar veertiende verbleef bij de familie Baxter, erg belangrijk voor haar is geweest. Tegelijkertijd is er maar weinig bekend over die tijd. De brieven die ze schreef en de aantekeningen die ze heeft gemaakt zijn verloren gegaan – niemand weet precies waarom, maar ze zijn niet bewaard gebleven. Grappig genoeg heeft ze wel gezegd dat het juist de belangrijkste periode in haar leven was voor de ontwikkeling van haar verbeelding. Er werd zelfs in een biografie gesuggereerd dat een prille en vroege versie van Frankenstein daar is ontstaan, en dat vond ik zo’n mooi gegeven, daar wilde ik iets mee doen. Ik wilde niet alleen over die romantische en filmische avond schrijven, want daar is al veel mee gedaan in de literatuur, kunst en filmwereld, ik wilde er graag een ander deel van haar leven bij betrekken.’

Doordat haar tijd in Schotland haar belangrijkste inspiratie voor Frankenstein vormde maar haar dagboeken niet bewaard zijn gebleven, ontstond voor jou een mysterieus tussenstukje om fictioneel in te vullen.

Anne: ‘Ja, maar ik heb geen idee wat ze met die dagboeken en aantekeningen heeft gedaan en of ze echt verloren zijn gegaan. Er zijn mensen die vermoeden dat haar vader misschien achteraf dingen heeft vernietigd, maar in elk geval was het een mooie gelegenheid om zelf een invulling te geven aan die periode. Dat er weinig bekend was draagt bij aan de mythevorming. Dat raakt natuurlijk aan de waarde van verbeelding die ik in het boek wilde stoppen. Het mooie is dat ik er noodgedwongen veel van mijn verbeelding in heb moeten stoppen.’

Hebben ze uiteindelijk een winnaar uitgeroepen van die verhalenwedstrijd? Ik denk dat we veilig mogen concluderen dat Mary Shelley met Frankenstein heeft gewonnen, aangezien het de meest beroemde gothic novel in de geschiedenis is geworden.

Anne: ‘Volgens mij nooit officieel. Mary en Lord Byron zijn na die tijd in Genève nog jarenlang bevriend gebleven en het zou kunnen dat hij tegen haar heeft gezegd; ‘Hey – even tussen ons – ik vind eigenlijk dat jij hebt gewonnen,’ want hij had haar best hoog zitten. Maar dat vertellen de bronnen niet, helaas. En de wedstrijd kwam natuurlijk ook voort uit verveling, ze zaten daar avond aan avond en dag na dag aan huis gekluisterd. Het was superslecht weer; modderig, regenachtig en koud. Het was beslist niet de zomer in Italië aan het meer waar ze zich op hadden verheugd. Er waren bovendien maar weinig middelen om warm te blijven, dus ze moesten constant voor de haard zitten om niet te verkleumen. Ze lazen veel om de verveling te verdrijven, die altijd erg op de loer lag. Mary kreeg Italiaanse les van John Polidori, dus ze waren wel aan het rommelen en met hun dingetjes bezig. Ik denk dat ze ook allemaal gefascineerd waren door spookverhalen. Het was de tijd die zich daar erg voor leende omdat de gothic novels een hoge vlucht namen. Ze vonden spookverhalen een leuk en spannend tijdverdrijf. Overigens is Frankenstein niet de enige roman die daar is ontstaan. Het verhaal van John Polidori werd The Vampire (één van de eerste officiële vampierverhalen) en daar is later Dracula van Bram Stoker op geïnspireerd, dus het was toch een vruchtbare zomer.’

Heb je Frankenstein gelezen en wat vond je ervan?

Anne: ‘Ja, ik heb het gelezen en ik vond het een bijzonder boek. Het is niet alleen maar een supereng verhaal want er zitten elementen in die je nu een beetje grappig zou vinden, zoals hoe ontzettend welbespraakt en eloquent dat monster is. Het idee erachter vind ik nog steeds erg mooi, dat het monster niet alleen maar slecht is, het is eigenlijk een heel droevig monster. Het heeft er zelf niet voor gekozen om te worden gemaakt of geboren te worden en wordt vervolgens door zijn maker in de steek gelaten omdat het er weerzinwekkend uitziet. En omdat het monster nergens terecht kan en iedereen hem afwijst, heeft hij eigenlijk nauwelijks nog een keuze. Hij moet wel slecht worden. Dat geeft het verhaal een extra tragische en mooie laag.’

In je boek gaat Mary gebukt onder het verlies van zowel haar moeder als dat van haar pasgeboren dochter. Denk je dat de eenzaamheid die ze in haar verdriet ervoer, zich heeft vertaald naar Frankenstein?

Anne: ‘Ja, ik denk dat heel veel dingen, zo niet alle dingen die je als persoon meemaakt in je leven, op een bepaalde manier terugkomen in datgene wat je maakt. Zo’n beetje alles wat je meemaakt en wat indruk op je maakt komt wel ergens in een verhaal terecht. Meestal is dat niet letterlijk of één op é´én. Maar ik denk zeker dat het donkere en heftige verhaal van Frankenstein – ze begon eraan toen ze nog maar achttien was  –  niet zonder die gebeurtenissen had gekund, dan was het een heel ander verhaal geworden. Er zit een bepaalde eenzaamheid en droefenis in, verlies is natuurlijk een groot thema, dus ik denk dat Frankenstein zonder die gebeurtenissen niet met die diepte had kunnen ontstaan.’

In Nederland is nooit een sterke romantische stroming geweest en ik denk dat je Mary kunt zien als een neo-gothic novel met klassieke stijlkenmerken uit de romantische literatuur, zo blikt Mary vanuit het rijtuig om naar meneer Booth en ziet ze een griezelig slangfiguur op de veranda staan. Vond je het spannend om Mary te schrijven?

Anne: ‘Nee, ik vond het juist heel cool om te doen. Het is erg leuk en uitdagend om een nieuw en nog niet platgetreden pad in de Nederlandse literatuur te volgen. Aan de andere kant heb je in de Angelsaksische traditie natuurlijk wel veel romantische werken en ik voel me daar niet super ver van afstaan, niet als schrijver en ook niet als mens, we delen grotendeels eenzelfde culturele achtergrond. Misschien hielp het ook dat ik niet alleen maar een gothic novel wilde schrijven maar het graag wilde hebben over een vrouw en over de moeite die zij had om te houden van de man van wie ze hield. Ze was een jonge vrouw die zich maar moeilijk kon ontworstelen aan wat er van haar als vrouw verwacht werd, terwijl ze dat wel graag wilde. Het zijn boeiende feministische kwesties, en vrouwen onderling hebben die weer gemeen. Het is zeker wel bij me opgekomen dat er in Nederland niet zo’n rijke traditie is van romantiek of gothic novels. Ik weet eerlijk gezegd niet hoe dat komt, ik heb het er weleens met mensen over gehad, maar ik ben even kwijt waar we toen op uitkwamen.’

Misschien dat het protestantisme iedereen er een beetje van weerhield om samen in kastelen dronken te worden, seances te houden en griezelverhalen te vertellen?

Anne: ‘Ja, misschien ligt dat er wel aan ten grondslag. De Nederlandse literatuur is heel anders dan de Angelsaksische. In Nederlandse boeken hoeft ook altijd zo weinig te gebeuren, het plot is erg ondergeschikt aan de sfeer. Ik had het er laatst nog met een vriendin en mede-schrijfster over dat het lijkt alsof je in Nederland altijd moet kiezen of je een verhaal met een plot schrijft of een literair verhaal, terwijl ik denk dat het ontzettend goed samen kan gaan. Je ziet dus ook in veel Engelse en Amerikaanse literatuur dat dit prima lukt. Ik houd van boeken waarin dingen gebeuren. Daar ben ik altijd wel voor.’

Had jij als schrijfster zelf graag geleefd tijdens de romantische periode en in de tijd van Mary Shelley? Want dat was de tijd waarin nog allemaal wetenschappelijke experimenten plaatsvonden en schrijvers daar samen over hallucineerden met laudanum – het was een stuk minder braaf.

Anne: ‘Ja, in zeker opzicht wel. Ik denk ook dat je als schrijver een bepaalde vrijheid kon voelen in het kunstenaarschap in die tijd. Dat heeft natuurlijk ook gewoon te maken met de tijdsgeest en dat de gewone sterveling en de gewone burgers bepaalde dingen niet deden. Je kon jezelf als kunstenaar mooi onderscheiden door al die dingen juist wel te doen, en daar vind je weer geestverwanten en gelijkgestemden mee. Ik kan me voorstellen dat dat heel bevredigend was, maar tegelijkertijd hebben veel kunstenaars in die tijd een behoorlijk zwaar leven gehad. Het was beslist niet makkelijk om zo’n leven te leiden. Lord Byron en Percy Shelley zijn niet voor niets in Genève terecht gekomen. Het was niet alleen omdat ze lekker op vakantie wilden, Lord Byron was de Londense roddel en achterklap ontvlucht omdat hij zo’n wild leven leidde dat hij bekend stond als mad, bad and dangerous to know. Hij kreeg veel problemen door zijn reputatie. Percy had heel veel schulden en voerde een gevecht tegen armoede. En zeker als vrouw had je het in die tijd op een andere manier weer helemaal niet makkelijk, dus ik zou zeker niet zomaar volmondig ja zeggen. Misschien zou ik hooguit een weekje willen tijdreizen.’

De dichters brengen gezamenlijk veel tijd door rond het haardvuur, ontstond er voor jou tijdens het schrijven ook een parallel naar de lockdowns die we nu hebben gehad? Toen ik als student voor het eerst boeken uit de romantische stroming las voelde die tijd ver weg, omdat ze zoveel vrije tijd hadden om door de natuur te dwarrelen en dronken te worden, maar nu kan ik me zo’n leven met die gekke tijdloosheid wel voorstellen.

Anne: ‘Ik kan me heel goed voorstellen dat je als lezer dat gevoel krijgt. Maar tegelijkertijd was ik tijdens het schrijven niet bezig om daar bewust paralellen in te trekken. Je weet natuurlijk nooit wat er onbewust in je verhalen terecht komt. Die zomer was voor hen natuurlijk ook bijna een lockdown. Ik heb veel mogen verzinnen in dit verhaal, maar de dingen die we zeker weten heb ik geprobeerd zoveel mogelijk met rust te laten, dus in die zin was het gewoon zoals onze huidige situatie nu, en daar heb ik verder niets aan toegevoegd. Dat is denk ik eerder een soort toevalligheid.’

Percy en Mary Shelley zijn getrouwd en samengebleven tot Percy zijn dood. Mary leefde sterk op basis van de idealen van haar feministische moeder Mary Wollstonecraft, die A Vindication of The Rights of Woman (1792) publiceerde, maar in je boek lijkt Mary onder haar open huwelijk met Percy door te gaan. Heb je dit gebaseerd op haar dagboek fragmenten?

Anne: ‘Ja, ik denk dat zij op een aantal momenten in haar huwelijk veel moeite heeft gehad met de vrije liefde die ze met elkaar hadden afgesproken. Voornamelijk als Percy het aanlegt met haar stiefzusje Claire, dat vond ze wel ergerlijk. Hij deed dat vrij regelmatig, niet heel openlijk, maar wel zo openlijk dat ze kon begrijpen wat er aan de hand was. Daar heeft ze zelf over geschreven in brieven en dagboeken, al richten haar ergernissen zich voornamelijk op Claire en hoe irritant ze het vond dat zij er altijd was. Ze vond het moeilijk dat Percy in zijn testament een deel wilde opnemen voor Claire en haar nog ongeboren dochter. Dat roept natuurlijk vragen op bij mensen.’

‘Ik denk dat ze het open huwelijk moeilijk vond omdat hij eigenlijk de enige was in wie zij geïnteresseerd was. Als je afspreekt om een open huwelijk te hebben maar de één heeft eigenlijk nooit behoefte aan een ander en die ander wel steeds, dan wordt de verhouding vanzelf scheef, hoezeer je het er in theorie ook met elkaar over eens bent. Percy was ook een stukje ouder dan zij: hij geloofde al in de vrije liefde voor hij haar tegenkwam. Ik denk dat ze vanaf het begin af aan besefte; als ik met deze vrijgevochten dichter samen wil zijn, dan is dit hoe het zal gaan. Daar is ze nooit ontzettend open over geweest, dus het is een beetje mijn aangedikte interpretatie.

Ik kan er geen eenduidig antwoord op geven, maar ik kreeg wel sterk de indruk dat ze het regelmatig vervelend vond. Tegelijkertijd was hij haar grote liefde en was ze gelukkig met hem samen, ze heeft niemand anders liefgehad. Ik denk dat het lastig was dat Claire niet alleen figuurlijk maar ook letterlijk dichtbij stond, want ze ging altijd met hen mee op reis en na Genève hebben ze ook nog een poosje met zijn drietjes in één huis gewoond. Claire was heimelijk zwanger dus ze konden niet terug naar Londen, want dan zou iedereen daar weten dat ze zwanger was. Toen hebben ze een poosje met zijn drietjes in een huis in Bath gewoond, waar Mary knettergek werd van Claire.’

 “Woede heeft ze. Het is geen nieuwe woede. Het is eeuwenoude woede, zo oud als de rotsen, zo oud als het vuur en de zee. Het is de woede van de heksen, de woede van alle moeders die met een baby op hun arm het eten staan te koken voor de man die staat te drinken in de kroeg. Van de vrouwen die hun rokken lichten als een man genoeg betaalt, van de vrouwen die hun plaats in huis danken aan hun lichaam. Het is de woede die ageert tegen het vanzelfsprekende, tegen de verwachtingen, tegen het buigen, het buigen, het buigen. (blz 269)
Toen ik deze passage over Mary’s woede las kwam het op me over als de kern van haar  innerlijke conflict: hoe ver moet ze zichzelf blijven voegen en schikken?  Denk je dat die vraag bij vrouwen vandaag de dag nog steeds speelt?

Anne: ‘Ik denk dat dat probleem inderdaad op veel vlakken nog steeds speelt. Ik denk ook niet dat je dat in twee eeuwen weggepoetst krijgt, maar ik ben geen socioloog of antropoloog, en dat raakt aan zo ontzettend veel. Ik vind het lastig om de vrouwenemancipatie in de juiste context te plaatsen. Laten we vooropstellen dat, als we dit even samengevat ‘het buigen voor mannen’ noemen, dit nu minder een probleem is dan tweehonderd jaar geleden. En in dat opzicht is er wel veel veranderd. Maar er zijn natuurlijk nog steeds problemen: kijk naar de verhalen van #MeToo of het feit dat vrouwen nog steeds minder betaald krijgen dan mannen voor hetzelfde werk. Er worden structureel minder vrouwen in kranten besproken en voor literaire prijzen gemonieerd, maar het is natuurlijk niet alleen een gegeven in de literaire wereld. Die scheve verhouding zit zo diep; het verschuilt zich in zoveel subwerelden, dus ik denk wel dat we nog steeds bezig zijn met ons voegen. Hopelijk kan dit in de toekomst in een versneld tempo worden verminderd.’

Er is een scene waarin Percy naar Mary kijkt, ogen ziet in haar borsten en ze bij zichzelf denkt:Misschien heeft hij gezien wie ze werkelijk is. Misschien zitten de ogen niet werkelijk op haar borsten maar binnen in haar, de ogen aan haar binnenzijde zijn even slecht en even mismaakt.” (blz 150)
Veel vrouwen die zich door de eeuwen heen niet hebben toegelegd op het moederschap of ongetrouwd bleven, werden het slachtoffer van uitsluiting en heksenvervolgingen. Zie jij het monster van Frankenstein als een literair resultaat van de duisternis die Mary als vrouw over zich heen heeft gekregen?

Anne: ‘Ja, in het geval van mijn roman heb ik dat er wel in willen stoppen. Ik durf niet helemaal zeker te zeggen of dat ook daadwerkelijk een gegeven is geweest in haar leven. Ik weet niet of zij het er op die manier bewust in heeft gestopt. Het is natuurlijk wel zo dat het een waanzinnig bijzonder en moedig onderwerp is geweest voor een jonge vrouw om te kiezen, zeker in die tijd. Ik denk dat het schrijven van Frankenstein haar ook een groot gevoel van emancipatie moet hebben gegeven. Misschien dat ze zichzelf ten opzichte van andere schrijvers en mannen klein gehouden voelde, alsof andere talenten dan haar moederschap er niet mochten zijn. Ik kan me voorstellen dat het haar veel goed heeft gedaan dat Frankenstein ontstond.’

Op een avond heeft ze haar zoontje Willmouse aan Percy overgelaten en bij thuiskomst is ze meteen een slechte moeder omdat ze te lang is weggebleven. Als lezer denk je; Mary nam even pauze van het moederschap, maar ze mag nu blijkbaar alleen nog maar moeder zijn.

Anne: ‘Ja, ik denk dat dat behoorlijk speelde. Percy was wel trots op haar hoor. Het was mijn personage Mary die deze gespletenheid ervoer. Ik heb in mijn boek willen laten zien hoe moeilijk het was, zeker voor een vrouw in die tijd, om te doen wat je graag wilde doen. Ik denk dat je dat goed hebt gelezen. Ik durf alleen niet voor de volle 100% te zeggen dat dit ook was hoe Mary Shelley er zelf instond. Ze heeft zich nooit erg uitgelaten over het feminisme, ook niet over het indrukwekkende traktaat dat haar moeder heeft geschreven. Ze heeft altijd volgehouden dat ze gewoon niet iemand was die veel opinies had, maar ze leefde wel naar haar eigen feministische maatstaven.’

Mary heeft tijd doorgebracht met de familie Baxter in Schotland, bij wie ze een tijdje heeft gewoond. Ze raakt er bevriend met de mysterieuze dochter Isabella en ze komen met meneer Booth, de welgestelde familievriend, in een liefdesdriehoek terecht. Wees iets in haar biografie erop dat de band tussen Mary en Isabella meer was dan vriendschap?

Anne: ‘Ik weet alleen zeker dat veel van wat er in Schotland is gebeurd niet gedocumenteerd is. David Booth heeft trouwens wel echt bestaan. Hij was een welgestelde en gerespecteerde man, die door de bewoners van Dundee werd aangeduid als the devil, omdat hij blijkbaar ontzettend intelligent was en dingen leek te weten die hij niet kon weten. Men had zowel een soort eerbied als angst voor hem. Dat vond ik een heel mooi gegeven. Hij is later ook werkelijk met Isabella getrouwd en in een van de biografieën las ik dat hij daarvoor nog een reis naar Londen heeft gemaakt om te praten met de vader van Mary. Zij kenden elkaar niet supergoed, dus het zou erop kunnen wijzen dat hij in eerste instantie liever met Mary had willen trouwen. Hij probeert haar in het boek die armband met blauwe diamanten cadeau te geven, die ze van hem weigert, en later draagt Isabella die om haar pols.’

‘Haar band met Isabella was heel sterk. Mary is eigenlijk twee keer een langere tijd in Dundee geweest, maar dat was verhaal-technisch minder goed te gebruiken. Hun vriendschap was heel intens en één van de biografieën suggereert dat hun vriendschap niet alleen maar platonisch is geweest. Een mooi gegeven vond ik dat er een schilderij van Isabella Baxter is gemaakt, en als je die naast het portret van Percy Shelley legt, dan zie je een sterke gelijkenis. Die twee leken qua uiterlijk heel erg op elkaar en dat vond ik wel een fascinerend gegeven. Maar goed, het was dus eigenlijk dat één van de biografieën die suggereerde dat er een romantische liefde kon zijn geweest tussen Mary en Isabella en toen dacht ik: dat is mooi.’

Je doet de betekenis van Mary’s naam (parel van de zee) eer aan: het viel me op dat de zee, zeemonsters, zwemmen, zeilen, eigenlijk alles wat met water te maken heeft – een grote rol in het verhaal speelt. Ik vroeg me af hoe je op die waterverbinding kwam en waarom de monsters zich allemaal in de diepte bevinden?

Anne: ‘Dat heeft denk ik te maken met dat ik de tijd in Schotland een prominente plek wilde geven en ze in Dundee aan rivier The Tay zaten, die een verbinding had met de open zee. Ik vond dat erg passen bij Mary en haar verhaal, omdat verhalen vaak grotendeels gedreven worden door je onderbewuste, maar dat is mijn opinie. Ik heb haar in het verhaal laten terugverwijzen naar wat er onder de zeespiegel leeft en dat er onder de oppervlakte bepaalde herinneringen, nare gebeurtenissen of personen die je kwijt bent geraakt, nog in je gedachten kunnen verblijven. Wanneer je zoiets hebt bedacht is het grappig om te merken dat het langzamerhand een thema wordt. Het is een motief dat steeds maar blijft terugkeren. Ik vond het ook fijn om het boek een andere draai te geven; ik wilde graag dat het monster van Frankenstein daar zijn oorsprong vond, maar ik wilde niet dat het boek volledig om de gestalte van dat specifieke monster draaide, dus de kleine verhalen eromheen wilde ik laten draaien om iets anders.’

Het viel me op dat beide Mary’s geen betrouwbare vertellers zijn. Je hebt haar zowel in Schotland als in Zwitserland een unreliable narrator gemaakt. In Dundee zit je als lezer in het bewustzijn van een jong meisje, waarin fantasie en werkelijkheid in elkaar overlopen, maar als je vier jaar later eenmaal met Percy en George bent, is Mary’s bewustzijn wazig omdat ze is getekend door verlies en rouw.

Anne: ‘Ik vind het sowieso altijd interessant om vanuit dat soort personages te schrijven en ik vond het fascinerend om haar verbeeldingskracht met de werkelijkheid te vermengen, want die was ook in het echt heel groot. Ik vond het mooi om te beginnen bij het moment waarop je als kind nog ontvankelijk bent voor het magische en het surrealistische. Je moeder zegt dat spoken niet echt bestaan en er geen monsters onder je bed zitten, en op een gegeven moment neem je dat als kind maar voor waar aan, want je hebt ze ook nooit gezien. Maar als je eenmaal in zo’n nieuwe en prachtige omgeving als Schotland komt met alle mythen en sagen die daar spoken, je vader die je altijd in je leven hebt gehad is er niet en je bent nog relatief jong en beïnvloedbaar, misschien dat dan de gedachte bij je op kan komen dat al die dingen waarvan je hebt geleerd dat ze niet bestaan, er misschien gewoon toch zijn. En dat op die manier een mooie verbeeldingskracht bij haar ontstond, omdat ze alles haast weer bijna ging geloven. Misschien dat de verbeeldingskracht die ze in Genève voelde, met behulp van de met wijn aangelengde laudanum, haar makkelijker terug kon brengen naar die tijd.’

Ja, maar de oudere Mary lijkt haar best te moeten doen om erbij te blijven en zich een weg in haar bewustzijn naar boven te klauwen. Dat vond ik een interessante tegenstelling, als meisje lijkt ze de bovennatuurlijke spanning op te zoeken, maar als moeder is haar bewustzijn gefragmenteerd door het verlies van haar eerste kindje, ze moet haar best doen om grip op de werkelijkheid te behouden.

Anne: ‘Dat vind ik wel mooi en dat haakt ook wel aan op hoe ik het heb bedoeld. Het verlies van die dagboeken speelt daar ook wel een grote rol in, want die heeft ze bijna op last van Booth in de zee gegooid. Zijn aanmoediging daartoe zou je kunnen lezen als: “Het is tijd om volwassen te worden, dus word nu maar de volwassen vrouw waarvan we verwachten en vinden dat je haar zou moeten zijn. Je kunt al die kinderlijke onzin nu achter je laten.” Vandaar dat ze zich ook aan het einde als ze uit Genève vertrekt pas lijkt te herinneren wat er gebeurd is met dat dagboek.’

Wat ik zelf wel een interessante lijn vond was dat die meneer Booth ook bij haar aangeeft: het is jouw woord tegen het mijne, mijn woord is sowieso veel meer waard dan jouw woord, want ik ben een man van statuur en jij bent nog maar een kind. Dit is iets kwalijks dat nog steeds in de maatschappij speelt: degene die het zegt lijkt soms belangijker dan wat er wordt gezegd. Vooral als het aankomt op de slachtoffers van seksueel misbruik.

Anne: ‘Ja en hij doet het ook onder het mom van; het is eigenlijk ook beter voor jou als je dit vergeet want je weet wat men zal zeggen als je hiermee naar buiten treedt, dus laten we ons allebei hieraan houden. Het is bijna alsof hij haar een gunst verleent door haar daarop te wijzen. Dat is waar, dat klopt. Ik heb die parallel met het heden niet zo sterk willen trekken hoor, maar daar heb je zeker gelijk in. Ik denk dat er een aantal grote thema’s in Mary zit en afhankelijk van je eigen kijk op de wereld kun je die ontdekken. Het ene thema is niet per se belangrijker dan het andere en het ene kan ook overvloeien in het andere. Net als in de echte wereld staat niets op zichzelf. Dat zie je ook in Frankenstein. In alle goede boeken, denk ik.’

The Romantics van links naar rechts: The Party Poet (Percy Shelley), The Musing Mary (Mary Shelley), Mad, Bad and Dangerous To Know (Lord George Byron) and The Doctor With Fangs (John Polidori) .

‘Mary’ van Anne Eekhout is in november verschenen bij Uitgeverij De Bezige Bij

Aanbevolen artikelen